Zinsdelen H4 nwg

1 / 45
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Grammatica zinsdelen

Slide 2 - Slide

Vorige lessen
We herhalen kort de stof die we voor de vakantie hebben geleerd.

Slide 3 - Slide

Wat is waar over de pv?
A
Is altijd een WW
B
Is altijd een ZNW
C
Is nooit een WW
D
Is altijd enkelvoud

Slide 4 - Quiz

Wie /Wat + persoonsvorm? is de vraag die je stelt om het ow te vinden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quiz

Het onderwerp (ow) van de zin...
A
staat altijd voor of na de persoonsvorm
B
vind je door: wie/wat + pv?
C
is één woord of een groepje woorden
D
is een werkwoord

Slide 6 - Quiz

Wat is het ow?
Aan wie heeft hij een euro gegeven?
A
Aan wie
B
hij
C
een euro
D
heeft gegeven

Slide 7 - Quiz

Wat is het lv?
De zusjes spelen verstoppertje.
A
De zusjes
B
verstoppertje
C
geen lv.
D
spelen

Slide 8 - Quiz

Welke rol past bij het lv?
A
iemand (of iets) voert de handeling uit
B
iemand (of iets) ondergaat de handeling

Slide 9 - Quiz

Wat is het lv ?
Hij heeft het belangrijke formulier verzonden.
A
hij
B
heeft verzonden
C
formulier
D
het belangrijke formulier

Slide 10 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
Alle werkwoorden in een zin
B
Alle leestekens in een zin
C
Alle personen in een zin
D
Leestekens

Slide 11 - Quiz

Het werkwoordelijk gezegde?

Wie was er vanmiddag aan het spelen?
A
wie
B
was
C
was spelen
D
was aan het spelen

Slide 12 - Quiz

Deze les

Slide 13 - Slide

Lesdoelen:
Ik kan/weet:
  • het meewerkend voorwerp van een zin vinden.

Slide 14 - Slide

Opdracht
- in duo's
- bedenk 5 tweewoordzinnen over "iets doen" en 5 tweewoordzinnen over "iets zijn".
- schrijf de in totaal 10 zinnen op.

Degenen thuis maken deze opdracht alleen.
timer
5:00

Slide 15 - Slide

Mama lief

Waaronder valt deze zin?
A
iets zijn
B
iets doen

Slide 16 - Quiz

Opa slaapt

Waaronder valt deze zin?
A
iets zijn
B
iets doen

Slide 17 - Quiz

Snoepje lekker

Waaronder valt deze zin?
A
iets zijn
B
iets doen

Slide 18 - Quiz

Leo lacht

Waaronder valt deze zin?
A
iets zijn
B
iets doen

Slide 19 - Quiz

Ik moe

Waaronder valt deze zin?
A
iets zijn
B
iets doen

Slide 20 - Quiz

Naamwoordelijk gezegde (ng)
  • zegt iets over wat iemand is (of wordt of blijft).
  • bestaat uit één of meer werkwoorden en een naamwoord.
  • heeft altijd een koppelwerkwoord (kww) in de zin.

Slide 21 - Slide

Ng bestaat uit:
Werkwoordelijk deel = kww + eventuele hww 
Naamwoordelijk deel = waaraan het onderwerp gekoppeld wordt (een zn of bn)

Verschil wg en ng:
Werkwoordelijk gezegde zegt wat iemand of iets doet
Naamwoordelijk gezegde zegt wat iemand of iets is of wordt


Naamwoordelijk gezegde

Slide 22 - Slide

Koppelwerkwoorden(kww)
Zijn
Worden
A-
Blijven
Blijken
E-
Lijken
Schijnen
+ H D V (heten, dunken, voorkomen)
Het koppelt het onderwerp aan het naamwoordelijk deel. Het zegt wat het onderwerp IS of Wordt

Slide 23 - Slide

Soorten werkwoorden
1. zelfstandige werkwoorden (zww)  = wg
2. hulpwerkwoorden (hww) = extra werkwoord in de zin

Regel: "Bij twee of meer werkwoorden in de zin in de persoonsvorm ALTIJD een hulpwerkwoord (hww)."

Slide 24 - Slide

Schrijf de zes belangrijkste kww op.

Slide 25 - Open question

Werkwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
Het werkwoordelijk deel (ww.deel) bevat alle werkwoorden uit de zin. 

Het belangrijkste werkwoord is 
een koppelwerkwoord (kww). 


Slide 26 - Slide

Vind in de zin het hww.

Zijn broertje heeft alles afgepakt.
A
heeft
B
afgepakt

Slide 27 - Quiz

Vind in de zin het zww.

Jonas heeft zijn toets gemaakt.
A
heeft
B
gemaakt
C
heeft gemaakt
D
is geen zww

Slide 28 - Quiz

Vind in de zin het kww.

Midas is naar huis gereden
A
is
B
is gereden
C
gereden
D
staat er niet in

Slide 29 - Quiz

Voorbeeld
Nova / wil / later / een beroemde pianiste / worden.

1 worden = kww 
2 Nova wil later iets worden, namelijk een beroemde pianiste.
3 Vraag: Wat wil Nova worden? Antwoord: een beroemde pianiste.
4 ng = wil [een beroemde pianiste] worden

Slide 30 - Slide

De stappen

1. Stel vast of er een koppelwerkwoord in de zin staat.

2. Stel vast of het onderwerp iets doet of iets is of wordt.

3. Als het onderwerp iets is/wordt, stel je de vraag: Wat + persoonsvorm + onderwerp + overige werkwoorden? Het antwoord op die vraag is het naamwoordelijk deel.

4. Noteer het naamwoordelijk gezegde: pv + [nw.deel] + overige werkwoorden. Zet het naamwoordelijk deel tussen vierkante haken.

Slide 31 - Slide

Voorbeelden
1. Peter / gaat / naar Groningen. (WG)
  • gaat = zww 
2. Peter / is / naar Groningen / gegaan. (WG)
  • is = hww,  gegaan = zww 
3. Peter / is / sportief. (NG)
  • is = kww 
4. Peter / is / gelukkig / gebleven. (NG)
  • is=hww, gebleven=kww 

Slide 32 - Slide

Vind in de zin het kww.

Paul is kampioen geworden.
A
is
B
geworden
C
staat er niet in

Slide 33 - Quiz



In zinnen met een naamwoordelijk gezegde zit nooit een lijdend voorwerp!

Slide 34 - Slide

Opdracht 
H4 blz. 118-119 maken opdracht 1
(als je klaar bent, begin je met het huiswerk opdr. 2 + 3)

Slide 35 - Slide

Sommige leerlingen zijn daarom boos.
A
Naamwoordelijk gezegde
B
Werkwoordelijk gezegde

Slide 36 - Quiz


Mijn zus is vervelend.
A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 37 - Quiz

Hij gaat naar huis.

A
werkwoordelijk gezegde
B
naamwoordelijk gezegde

Slide 38 - Quiz

Mijn vriend was gisteren ineens ziek geworden.
A
Werkwoordelijk gezegde
B
Naamwoordelijk gezegde

Slide 39 - Quiz

Ik kan nu het naamwoordelijk gezegde in zinnen vinden.
A
Ja, dat lukt me prima.
B
Ik vind het nog wel lastig, dus ik moet nog meer oefenen.
C
Nee, ik snap het echt nog niet.

Slide 40 - Quiz

Een naamwoordelijk gezegde bevat altijd een koppelwerkwoord
A
juist
B
onjuist

Slide 41 - Quiz

Ik kan nu het meewerkend voorwerp in zinnen vinden.
A
Ja, dat lukt me prima.
B
Ik vind het nog wel lastig, dus ik moet nog meer oefenen.
C
Nee, ik snap het echt nog niet.

Slide 42 - Quiz

Hoe vind je zelf dat je gewerkt hebt?
A
:)
B
:|
C
:(

Slide 43 - Quiz

Huiswerk deze week
H4 zinsdelen; blz. 118-119 opdr. 2 + 3
H6 zinsdelen; blz. 178-179 opdr. 1 + 2
(in de les vrijdag 21-5 wordt de theorie van H6 behandeld)

Slide 44 - Slide

Links naar Quizizz:
(klik op de naam)


Of ga naar joinmyquiz.com
vul de code in
0207 1986 (ng/wg)

0271 0962 (mv)

Slide 45 - Slide