9.4 Voortplanting

Verwachtingen vandaag!

  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 9.4 blz. 36

  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui

  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 

  • Als de docent praat ben ik stil

  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

1 / 31
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 31 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Verwachtingen vandaag!

  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 9.4 blz. 36

  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui

  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 

  • Als de docent praat ben ik stil

  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Leerdoelen herhalen

  • Je kunt fotosynthese en verbranding uitleggen.

  • Je kunt assimilatie uitleggen.

9.4 Voortplanting

Thema 9 planten

Voorkennis

Waar denk je aan bij voortplanting bij planten?

Leerdoelen vandaag

  • Je kunt ongeslachtelijke voortplanting beschrijven en voorbeelden geven.

  • Je kunt geslachtelijke voortplanting beschrijven en voorbeelden geven.

  • Je kunt de delen van een bloem noemen met hun kenmerken en functies.

Ongeslachtelijke voortplanting

  • Bij ongeslachtelijke voortplanting ontstaat een nieuwe plant uit één ouderplant.

  • Dit gebeurt door mitose (celdeling).

  • De nakomelingen hebben hetzelfde genotype als de ouderplant.

  • Manieren van ongeslachtelijke voortplanting:

    • Stekken: een stuk stengel of blad groeit uit tot een nieuwe plant.

    • Knollen: verdikte wortels of stengels met reservevoedsel waaruit nieuwe planten ontstaan.

    • Bollen: groeien uit knoppen in een bol met reservevoedsel.

    • Enten: een deel van een plant groeit vast aan een andere plant.

    • Uitlopers en wortelstokken: horizontale stengels waaruit nieuwe planten groeien.

Voordoen + zelf oefenen

Noem een vorm van ongeslachtelijke voortplanting

  • Stekken, knollen, bollen, enten, uitlopers of wortelstokken.

Zelf oefenen

Leg uit waarom de nieuwe planten dezelfde erfelijke eigenschappen hebben als de ouderplant bij ongeslachtelijke voortplanting.

  • Er zijn geen geslachtscellen betrokken.

  • De nieuwe plant ontstaat door mitose.

  • Daardoor blijft het genotype hetzelfde als dat van de ouderplant.

Zelf oefenen

  1. Uitloper

  2. Knol

  3. Bol

  4. Stekken

  5. Enten

  6. Wortelstok

Geslachtelijke voortplanting

  • Bij geslachtelijke voortplanting versmelten twee geslachtscellen.

  • Hierdoor ontstaat een bevruchte eicel die kan uitgroeien tot een nieuw individu.

  • Geslachtscellen ontstaan door meiose (reductiedeling).

  • Door meiose bevatten geslachtscellen slechts de helft van het aantal chromosomen.

  • Nakomelingen krijgen een nieuwe combinatie van erfelijke eigenschappen (genotype).

Voordoen

Wat gebeurt er bij een bevruchting?

Twee geslachtscellen versmelten, waardoor een bevruchte eicel ontstaat.

Zelf oefenen

Twee planten planten zich geslachtelijk voort. Waarom lijken de nakomelingen niet precies op één van beide ouderplanten?

Bij geslachtelijke voortplanting worden erfelijke eigenschappen van twee ouders gecombineerd. Daardoor ontstaat telkens een nieuw genotype en verschillen de nakomelingen van hun ouders

Bouw en functie van bloemen

  • Bloemen zijn nodig voor de geslachtelijke voortplanting van zaadplanten.

  • De bloemkroon bestaat uit kroonbladeren en trekt vaak insecten aan.

  • De bloemkelk bestaat uit kelkbladeren en beschermt de bloem in de knop.

  • Meeldraden zijn de mannelijke voortplantingsorganen en maken stuifmeel.

  • Stampers zijn de vrouwelijke voortplantingsorganen en bestaan uit:

    • stempel

    • stijl

    • vruchtbeginsel

  • Bij bestuiving komt stuifmeel op de stempel terecht. Hieruit kan uiteindelijk een zaad en vrucht ontstaan.

Verschillende bloemen

Voordoen

Welke onderdelen van een bloem behoren tot de mannelijke en welke tot de vrouwelijke voortplantingsorganen?

  1. Mannelijk: meeldraden

  2. Vrouwelijk: stampers

Zelf oefenen

Waarom hebben veel bloemen opvallend gekleurde kroonbladeren?

De kroonbladeren trekken insecten aan, waardoor de kans op bestuiving groter wordt.

  1. Bloemsteel

  2. Vruchtbeginsel

  3. Meeldraad

  4. Helmknop

  5. Helmdraad

  6. kelkblad

  7. kroonblad

  8. stempel

  9. Stijl

  10. Stamper

Voordoen + zelf oefenen

Zaadbeginsel

  • In het vruchtbeginsel zitten één of meer zaadbeginsels.

  • In elk zaadbeginsel ontstaat door meiose een eicel.

  • Een eicel kan door één stuifmeelkorrel worden bevrucht.

  • Na de bevruchting groeit een zaadbeginsel uit tot een zaad.

  • Het vruchtbeginsel groeit uit tot een vrucht.

  • Bloemen kunnen één of meerdere stampers hebben en stampers kunnen verschillend gebouwd zijn.

Voordoen

Wat is het verschil tussen een zaadbeginsel en een vruchtbeginsel?

Het zaadbeginsel bevat de eicel en groeit na bevruchting uit tot een zaad. Het vruchtbeginsel bevat de zaadbeginsels en groeit uit tot een vrucht.

Zelf oefenen

Een bloem heeft 8 zaadbeginsels. Uiteindelijk worden 5 eicellen bevrucht. Hoeveel zaden ontstaan er? Leg uit.

5 zaden. Uit elk bevrucht zaadbeginsel ontstaat één zaad

Aan het werk!

Maken opdrachten 9.4: 1, 2, 4, 5 en 6

Klaar?

Laten checken bij docent, bij goedkeuring nakijken.

Klaar?  Werk laten zien aan docent.

Veel fout? -> Maken test jezelf 9.4

Veel goed? -> Maken 8+ online extra 


 


10

minute

00

second

Leerdoelen checken

  • Je kunt ongeslachtelijke voortplanting beschrijven en voorbeelden geven.

  • Je kunt geslachtelijke voortplanting beschrijven en voorbeelden geven.

  • Je kunt de delen van een bloem noemen met hun kenmerken en functies.