Transport bij mens en plant (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

TRANSPORT · MENS EN PLANT

Quiz

Terugblik: Transport bij mens en plant

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Terugblik met 12 vragen over circulatiesystemen, hartcyclus, tegenstroom, bloed, bloedstolling, oedeem, de bloedsomloop na de geboorte en het transport in planten.

Items in this lesson

TRANSPORT · MENS EN PLANT

Quiz

Terugblik: Transport bij mens en plant

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: melvil / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Welk dier heeft een open circulatiesysteem?

A

Een vis

B

Een insect

C

Een vogel

D

Een kikker

Insecten hebben een open circulatiesysteem. Vissen, vogels en kikkers hebben een gesloten bloedsomloop. Verwachte fout: een vis kiezen, omdat die in het water leeft.

Wat is kenmerkend voor een enkele bloedsomloop?

A

Het bloed gaat per rondgang twee keer door het hart

B

Het bloed stroomt deels buiten de bloedvaten

C

Het hart pompt bloed alleen naar de longen

D

Het bloed gaat per rondgang één keer door het hart

Bij een enkele bloedsomloop (vissen) gaat het bloed één keer per rondgang door het hart. De tweede optie is de dubbele bloedsomloop, de derde het open systeem. Verwachte fout: de tweede optie.

Wat is de diastole van de kamers?

A

Het samentrekken van de kamers

B

Het samentrekken van de boezems

C

Het openen van de uitgangskleppen

D

Het ontspannen en vullen van de kamers

Diastole is ontspanning, systole is samentrekking. De uitgangskleppen openen juist tijdens de systole. Verwachte fout: systole en diastole verwisselen.

Wat gebeurt er bij het tegenstroomprincipe in de poot van een watervogel?

A

Warmte gaat van het aderbloed naar het slagaderbloed

B

Warmte gaat van het slagaderbloed naar het aderbloed

C

Het bloed in slagader en ader stroomt dezelfde kant op

D

De slagader neemt warmte op uit het koude water

De slagader staat warmte af aan de ader ernaast, zodat het lichaam warmte houdt. Verwachte fout: de richting van de warmte omdraaien.

Vul in

In het beenmerg worden rode bloedcellen gemaakt die hemoglobine bevatten voor het zuurstoftransport in het bloed.

beenmerg
hemoglobine
zuurstoftransport
bloedplaatje
koolstofdioxidetransport

Rode bloedcellen ontstaan in het beenmerg en vervoeren zuurstof met hemoglobine. Verwachte fout: koolstofdioxidetransport invullen, omdat dat ook een transport in het bloed is.

Wat gebeurt er bij bloedstolling met fibrinogen?

A

Het wordt afgebroken door bloedplaatjes

B

Het bindt zuurstof in de rode bloedcellen

C

Het wordt omgezet in draden van fibrine

D

Het wordt opgenomen door witte bloedcellen

Fibrinogen is oplosbaar; fibrine vormt draden die het stolsel maken. Verwachte fout: bloedplaatjes zelf als het stolsel zien.

Welke oorzaak kan oedeem geven?

A

Te weinig eiwit in het bloedplasma

B

Te veel eiwit in het bloedplasma

C

Een te lage bloeddruk in het haarvat

D

Te veel rode bloedcellen

Te weinig eiwit geeft een lage colloïd-osmotische druk, dus minder terugname van vocht. Te veel eiwit en een lage bloeddruk geven juist minder filtratie. Verwachte fout: te veel eiwit kiezen.

Wat verandert er in het hart na de geboorte?

A

Het foramen ovale gaat open, het bloed mijdt de longen

B

Het foramen ovale sluit, het bloed gaat door de longen

C

De ductus Botalli opent voor extra bloed naar de aorta

D

De navelstrengader voert meer bloed naar het hart

Na de eerste ademteug gaat het bloed door de longen en sluit het foramen ovale doordat de druk in de linkerboezem stijgt. Verwachte fout: denken dat de openingen juist opengaan.

Waardoor persen planten 's nachts soms druppels uit de bladranden?

A

Door de verdamping via de huidmondjes

B

Door de cohesiekracht tussen watermoleculen

C

Door de organische sapstroom in de bastvaten

D

Door de worteldruk bij weinig verdamping

Bij weinig verdamping duwt de worteldruk water door de houtvaten naar boven, zodat het bij de bladranden naar buiten komt (guttatie). Verwachte fout: de verdamping kiezen.

Wat is kenmerkend voor houtvaten?

A

Dode, holle buizen met lignine in de wand

B

Levende cellen met een dunne celwand

C

Levende cellen die assimilatieproducten vervoeren

D

Dode buizen die water naar de wortel vervoeren

Houtvaten zijn afgestorven, holle buizen verstevigd met lignine, en vervoeren water omhoog. Verwachte fout: de levende bastvaten met de houtvaten verwisselen.

Zet op volgorde: de weg van water door een plant

1

Het water gaat de houtvaten van de wortel in

2

Het water verdampt uit het blad

3

Het water stijgt in de houtvaten van de stengel

4

Een wortelhaar neemt water op

Van wortelhaar via de houtvaten van wortel en stengel naar het blad, waar het verdampt. Verwachte fout: de stengel voor de wortel zetten.

Welke bloedcellen zorgen voor de afweer?

Antwoord: witte bloedcellen. Verwachte fout: bloedplaatjes of rode bloedcellen noemen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

TRANSPORT · MENS EN PLANT

Goed gedaan!

Je kunt nu de bloedsomloop, het bloed, de lymfe en het transport in planten uitleggen en gegevens uit grafieken en schema's lezen. Kijk de vragen na die je fout had en zoek het onderwerp op in les 1.

This item has no instructions