Schrijven A1
Schrijven A1
Vertel dat je moe bent.
Vertel dat je ziek bent.
Vertel dat je een afspraak hebt.
Vraag hoe laat de les begint.
Vraag waar de docent woont.
Vraag of de docent kinderen heeft.
Vraag hoeveel kinderen hij heeft.
Vraag waar de les is.
Vraag hoe laat de les is.
Je bent ziek. Je komt niet naar school. Vertel je docent dat je niet komt. Vertel waarom niet. Vertel wanneer je weer komt.
Vertel dat je niet komt.
Vertel dat je een afspraak bij de gemeente hebt.
Vertel hoe laat je die hebt. Vertel waar je heen moet.