Keynes oefentoets

Keynes oefentoets
vwo 5
1 / 40
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Keynes oefentoets
vwo 5

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Les 1

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

van een gesloten economie zonder overheid is de consumptievergelijking C = 0,8Y + 20 en de investeringsvergelijking I = 10. De evenwichtswaarde van Y =
A
6
B
24
C
30
D
150

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder overheid is de spaarvergelijking S = 0,2Y - 20 en de investeringsvergelijking I =10; de evenwichtswaarde van het nationaal inkomen is
A
15
B
30
C
150
D
300

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

In een keynesiaans model met alleen de sectoren gezinnen en bedrijven is de marginale consumptiequote altijd gelijk aan de marginale spaarquote
A
goed
B
fout

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions


In een Keynesiaans model met alleen de sectoren gezinnen en bedrijven kan als evenwichtsvoorwaarde dienen: S = I
A
Goed
B
Fout

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions


Van een gesloten economie zonder overheid is de spaarvergelijking
S = 0,3Y - 20 (in miljarden euro's). Hoeveel bedraagt de marginale CONSUMPTIEQUOTE?
A
0,3
B
0,7
C
-0,3
D
-0,7

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder overheid is de spaarvergelijking S = 1/3Y - 20. Hoeveel bedraagt de gemiddelde spaarquote als Y 300 is?
A
100
B
80
C
0,33
D
0,27

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Les 2

Slide 9 - Slide

This item has no instructions


In land A geldt C= 5/6Y; in land B geldt C=6/7Y. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat:
A
in land A de besparingen groter zijn dan in land B
B
in land A de consumptie groter is dan in land B
C
in land A de marginale spaarquote kleiner is dan in land B
D
in land A de marginale consumptiequote kleiner is dan in land B

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions


De vergelijking C = cY + Co is een
A
definitievergelijking
B
gedragsvergelijking
C
identiteit
D
spaarvergelijking

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

De marginale spaarquote is gelijk aan :
A
verandering van S/verandering van Y
B
verandering van Y/verandering van S
C
verandering van C/verandering van Y
D
Verandering van Y/verandering van C

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

autonome variabelen zijn onafhankelijk van de andere variabelen in het model
A
goed
B
fout

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions


Geïnduceerde variabelen zijn de "gegeven" variabelen (de vaste bedragen)
A
Goed
B
Fout

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

In een consumptievergelijking is de autonome consumptie afhankelijk van de hoogte van het nationaal inkomen
A
Goed
B
Fout

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions


In een consumptievergelijking is de geïnduceerde consumptie afhankelijk van de hoogte van het nationaal inkomen
A
Goed
B
Fout

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

In een Keynesiaans model met uitsluitend de sectoren gezinnen en bedrijven is de som van de marginale consumptiequote en de marginale spaarquote steeds gelijk aan 1.
A
Goed
B
Fout

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

de marginale consumptiequote is gelijk aan de verandering van C gedeeld door de verandering van Y
A
Goed
B
Fout

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

In eenvoudige Keynesiaanse modellen berust het autonome karakter van de investeringen op
A
een afspraak
B
een gewoonte
C
een veronderstelling
D
logische redenering

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Les 3

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

van een gesloten economie zonder overheid is de consumptievergelijking C = 0,8Y + 20 en de investeringsvergelijking I = 10.
De evenwichtswaarde van Y =
A
6
B
24
C
30
D
150

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder overheid is de spaarvergelijking S = 0,2Y - 20 en de investeringsvergelijking I =10; de evenwichtswaarde van het nationaal inkomen is
A
6
B
30
C
150
D
300

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

In een Keynesiaans model met alleen de sectoren gezinnen en bedrijven kan als evenwichtsvoorwaarde dienen: S = I
A
goed
B
fout

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions


In een keynesiaans model met alleen de sectoren gezinnen en bedrijven is de marginale consumptiequote altijd gelijk aan de marginale spaarquote
A
goed
B
fout

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Welke uitspraak is juist?
A
De autonome consumptie is 100
B
De autonome investeringen zijn 100
C
Er is bestedingsevenwicht bij 200
D
Er is inkomensevenwicht bij 200

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Les 4

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder overheid is de spaarvergelijking S = 0,2Y - 20 en de investeringsvergelijking I =10; de evenwichtswaarde van het nationaal inkomen is
A
15
B
30
C
150
D
300

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Als de effectieve vraag in een bepaalde periode kleiner is dan de productiecapaciteit, heeft dit tot gevolg:
A
conjuncturele werkloosheid
B
structurele werkloosheid
C
zowel conjuncturele als structurele werkloosheid
D
een gespannen arbeidsmarkt

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions


Volgens de keynesiaanse theorie wordt bij een gegeven productiecapaciteit de hoogte van het nationaal inkomen bepaald door:
A
de arbeidsproductiviteit en de kapitaalproductiviteit
B
de bestedingen (de effectieve vraag)
C
het gemiddeld prijsniveau
D
veranderingen in de aanbodfactoren

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Conjuncturele werkloosheid wordt veroorzaakt door veranderingen in de aanbodzijde van het productieproces, waardoor het aantal arbeidsplaatsen achter blijft bij de groei van de beroepsbevolking.
A
goed
B
fout

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Structurele werkloosheid wordt veroorzaakt door een effectieve vraag die niet groot genoeg is om de beroepsbevolking volledig in het arbeidsproces in te schakelen
A
Goed
B
Fout

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions


Van bestedingsevenwicht is sprake als
A
alle productiefactoren volledig worden benut
B
de effectieve vraag gelijk is aan de productiecapaciteit
C
de productiefactor arbeid volledig wordt benut
D
de productiefactor kapitaal volledig wordt benut

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder collectieve sector is bekend:
C = 5/8Y + 5 mld
I = 19 mld
Y = C + I
De productiecapaciteit is 70 mld
Hoeveel bedraagt het evenwichtsinkomen?
A
60
B
64
C
68
D
70

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Van een economie is gegeven:
beroepsbevolking 8 miljoen arbeidsjaren,
gemiddelde arbeidsproductiviteit € 40.000,
maximale productie als alle kapitaalgoederen worden ingezet: € 350 (mld)
evenwichtsinkomen € 300 (miljard)
In deze economie is sprake van:
A
conjuncturele werkloosheid
B
structurele werkloosheid
C
structurele en conjuncturele werkloosheid
D
een tekort aan kapitaalgoederen

Slide 34 - Quiz

Als alle arbeid wordt ingezet, kan er € 320 miljard geproduceerd worden
als alle kapitaal wordt ingezet, zou er € 350 miljard geproduceerd kunnen worden, maar er is een tekort aan arbeid om alle kapitaal in te kunnen zetten. Productiecapaciteit is dus € 320 miljard.
Het evenwichtsinkomen is echter maar € 300 miljard, dus is er sprake van conjuncturele werkloosheid
Les 5

Slide 35 - Slide

This item has no instructions


De multiplier in het eenvoudige keynesiaanse model wordt groter naarmate
A
de autonome consumptie groter wordt
B
de autonome investeringen groter worden
C
de marginale consumptiequote groter wordt
D
de marginale consumptiequote kleiner wordt

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder collectieve sector is bekend:
C = 7/8Y + 5 mld
I = 19 mld
Y = C + I
De productiecapaciteit is 200 mld
Hoeveel bedraagt het evenwichtsinkomen?
A
152
B
172
C
192
D
200

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions


Van een gesloten economie zonder collectieve sector is bekend:
C = 7/8Y + 5 mld ; I = 19 mld ; Y = C + I
De productiecapaciteit is 200 mld
Hoeveel bedraagt het BESTEDINGSEVENWICHT?
A
152
B
172
C
192
D
200

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder collectieve sector is bekend:
C = 7/8Y + 5 mld; I = 19 mld ; Y = C + I
De productiecapaciteit is 200 mld
Hoeveel bedraagt de multiplier?
A
1/8
B
3/8
C
8/7
D
8

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Van een gesloten economie zonder collectieve sector is bekend:
C = 7/8Y + 5 mld; I = 19 mld ; Y = C + I
De productiecapaciteit is 200 mld
Met hoeveel moeten de autonome bestedingen toenemen voor bestedingsevenwicht?
A
1 mld
B
4 mld
C
8 mld
D
10 mld

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions