Blz. 293
Impulsgeleiding - Impulsoverdracht
LEF 4
Blz. 293
Impulsgeleiding - Impulsoverdracht
LEF 4
Wat zijn receptoren?
Ze geven impulsen door naar spieren
Ze zetten prikkels om in impulsen
Ze versterken elektrische signalen
Ze maken neurotransmitters aan
Blz. 298
LEF 4
Kenmerken IMPULSGELEIDING:
Elektrisch van aard
Verloopt altijd in één richting
Impuls wordt opgevangen door dendrieten, gaat vervolgens via cellichaam naar axon en eindigt in de eindknoopjes
Actiepotentiaal is overal hetzelfde
Impulsfrequentie neemt toe bij sterke prikkels
Blz. 302
LEF 4
Kenmerken IMPULSOVERDRACHT:
Is een chemische impuls (met neurotransmitters)
Tussen neuronen verloopt altijd in 1 richting
De hoeveelheid neurotransmitters bepaalt de sterkte van de prikkel.
Neurotransmitters worden afgebroken OF weer opgenomen voor hergebruik door het neuron dat hen produceerde.
Impulsgeleiding binnen een zenuwcel is elektrisch,
terwijl een impulsoverdracht tussen zenuwcellen chemisch is.
In welke volgorde verloopt de impulsgeleiding in een neuron?
Axon → dendriet → cellichaam → eindknoopjes
Cellichaam → dendriet → axon → eindknoopjes
Dendriet → cellichaam → axon → eindknoopjes
Dendriet → axon → cellichaam → eindknoopjes
Hoeveel fasen heeft impulsgeleiding?
2
3
4
5
Blz. 302
LEF 4
IMPULSOVERDRACHT bestaat uit drie stappen:
STAP 1: De elektrische impuls bereikt het eindknopje met blaasjes gevuld met neurotransmitters.
De neurotransmitters komen vrij.
STAP 2: De neurotransmitters bewegen door de synaptische spleet.
STAP 3: De neurotransmitters binden zich aan de membraanreceptoren met specifieke receptoren (van de dendrieten). Er wordt een nieuwe elektrische impuls aangemaakt naar de volgende neuron of wordt een klier of spier geactiveerd.
Wat gebeurt er tijdens de actiefase (actiepotentiaal)?
De binnenkant van het axon is negatief geladen
De impuls wordt chemisch doorgegeven
Positieve ionen stromen het axon uit
Positieve ionen stromen het axon binnen
Welke factor beïnvloedt de snelheid van impulsgeleiding?
De dikte van het axon en de myelineschede
De grootte van het cellichaam
De lengte van de dendrieten
De hoeveelheid neurotransmitters
Wat is correct over een sterke en een zwakke prikkel?
Een sterke prikkel heeft een grotere actiepotentiaal
Een zwakke prikkel heeft geen actiepotentiaal
Beide hebben dezelfde actiepotentiaal
Alleen een sterke prikkel veroorzaakt een impuls
Wat bepaalt het verschil tussen een sterke en een zwakke prikkel?
De richting van de impuls
De impulsfrequentie
De grootte van het axon
De herstelfase ontbreekt bij een sterke prikkel
Waar vindt de overschakeling van sensorische naar motorische neuronen plaats bij een reflex?
In de grote hersenen
In de kleine hersenen
In het ruggenmerg of de hersenstam
In de spieren
Tot welk zenuwstelsel behoren reflexen?
Het autonome zenuwstelsel
Het animale zenuwstelsel
Het perifere zenuwstelsel
Het centrale zenuwstelsel
Blz. 304
LEF 4
Wat is het belangrijkste verschil tussen een reflex en een gewilde beweging?
Reflexen zijn sneller
Gewilde bewegingen gebruiken geen neuronen
Reflexen verlopen via de spieren
Gewilde bewegingen zijn altijd onbewust
Blz. 306
LEF 4
Blz. 307
LEF 4
Reflexen zijn een onwillekeurige reactie op een prikkel.
Reflexen vallen onder het autonome zenuwstelsel.
Reflexen verlopen heel snel. De overschakeling van sensorische naar motorische neuronen gebeurt in het reflexcentrum (het ruggenmerg of de hersenstam) zonder eerst naar de grote hersenen te gaan.
Vaak ben je je pas bewust van de reactie als er al een actie in de effectoren heeft plaatsgevonden
De reflexboog is de weg die impulsen afleggen van de receptor tot aan de effector:
De receptor vangt de prikkel op en zet die om in een impuls.
De sensorische neuronen geleiden de impuls naar het ruggenmerg of de hersenstam.
Vanuit het ruggenmerg of de hersenstam wordt de impuls via de motorische neuronen naar de effectoren gestuurd.
Blz. 309
LEF 4
Hoe verloopt de werking van een gewilde beweging?
Gewilde of bewuste bewegingen worden aangestuurd vanuit het animale zenuwstelsel.
Bij een gewilde beweging gebeurt de overschakeling van de sensorische naar motorische neuronen in de grote hersenen.
De impulsen worden eerst verwerkt in de grote hersenen voor er een reactie plaatsvindt.
Bewuste bewegingen van het hoofd, de hals en de nek verlopen via de hersenstam en de hersenen. De receptoren vangen de prikkel op en zetten die om in een impuls. Via de sensorische zenuwcellen wordt de impuls geleid naar de hersenstam. Schakelzenuwcellen geleiden de impuls verder naar de centra in de hersenen die de impuls verwerken. Schakelzenuwcellen brengen de impuls via het ruggenmerg naar de motorische zenuwcellen die de effectoren activeren.
Bewuste bewegingen van de romp verlopen via het ruggenmerg en de hersenen. De receptoren vangen de prikkel op en zetten die om in een impuls. Via de sensorische zenuwcellen wordt de impuls geleid naar het ruggenmerg. Schakelzenuwcellen geleiden de impuls verder naar de centra in de hersenen die de impuls verwerken. Schakelzenuwcellen brengen de impuls via het ruggenmerg naar de motorische zenuwcellen die de effectoren activeren.