3v-Kap6-Adjektive

1 / 35
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Lernziele für die Testwoche:
- je kan de zwakke werkwoorden in 3 tijden vervoegen: tegenwoordige tijd, verleden tijd en de voltooide tijd (bijv.: ich wohne, ich wohnte, ich habe gewohnt)

- je kan de modale hulpwerkwoorden in 3 tijden vervoegen: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooide tijd (bijv.: ich kann, ich konnte, ich habe gekonnt)

- je kan het bijvoeglijk naamwoord na een woord uit de der-groep gebruiken (bijv. Dieses liebe Kind ist meine Schwester.)







- je kan het bijvoeglijk naamwoord na een woord uit de ein-groep gebruiken (bijv.: Ist das euer liebes Kind?)

- je kan woorden uit de der-Gruppe en ein-Gruppe met het bijvoeglijk naamwoord en voorzetsels gebruiken (bijv.: Ihr spielt mit eurem lieben Kind)

- je kan het persoonlijk voornaamwoord in de verschillende naamvallen gebruiken (bijv.: Ich gehe mit euch ins Kino.)



Slide 3 - Slide

De naamvallen toepassen (ein- en der-Gruppe) vind ik tot nu toe:
Totaal makkelijk!= Kein Problem!
Soms moeilijk, soms makkelijk.= Mal so, mal so.
Ik begrijp er niets van!= Ich verstehe nur Bahnhof!

Slide 4 - Poll

Op welke manier wil je de nieuwe grammatica leren?
Alleen: ik maak alles zelfstandig
Deels samen: ik luister naar de uitleg en ga dan zelfstandig door
Samen: ik luister naar de uitleg en maak samen de oefeningen

Slide 5 - Poll

So machen wir das:
1) Groep "Alleen: ik maak alles zelfstandig" => bearbeite die Stunde in LessonUp (3v-Kap6-Adjektive)=> setzt euch bitte nach hinten
2) Groep "Deels samen: ik luister naar de uitleg en ga dan zelfstandig door" => setzt euch bitte in die Mitte
3) Groep: "Samen: ik luister naar de uitleg en maak samen de oefeningen" => setzt euch bitte nach vorne

Slide 6 - Slide

Das Adjektiv = bijvoeglijk nw.

Slide 7 - Slide

Leerdoel
kunnen
 Je kunt de uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord na een woord uit de Der- + Ein-groep toepassen.




Slide 8 - Slide

Wat is een Adjektiv?
een Adjektiv = een bijvoeglijk naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord...
  • zegt iets over een zelfstandig naamwoord; 
  •   betreft vaak een eigenschap of een kenmerk;
  •  staat vaak vóór het zelfstandig naamwoord.


Voorbeeld: Mijn oom heeft een mooie auto. 
Auf Deutsch: Mein Onkel hat ein schönes Auto.

Slide 9 - Slide

Der- + Ein-Gruppe
Waarom worden deze woorden per groep samen genomen?

Ze krijgen dezelfde uitgangen
bij de verschillende naamvallen

Slide 10 - Slide

Tot de ¨der-Gruppe¨ behoren:
der, den, dem, die, das = de, het
dies- = deze, dit
welch- = welke, welk
jed- = elke, iedere
manch- = sommige
solch- = zulke, zo’n
all- = alle
Deze woordgroepen krijgen dezelfde uitgangen als de lidwoorden in de der-Gruppe.
Let op: das krijgt als uitgang geen -as maar -es!  
  • Bijvoorbeeld: Dieses Buch ist von mir.

Slide 11 - Slide

Der-Gruppe
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e nvl.
der / welcher
die / welche
das / welches
die / welche
2e nvl.
des / welches

der / welcher
des /welches
der / welcher
3e nvl.
dem / welchem

der / welcher
dem / welchem
den +-n /
welchen +-n
4e nvl.
den /welchen
die / welche
das / welches
die / welche

Slide 12 - Slide

Nu met bijvoeglijk naamwoord
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e nvl.
der große Tisch
die blaue Jacke
das kleine Haus
die guten Sachen

2e nvl.
des großen Tisches
der blauen Jacke
des kleinen Hauses
der guten Sachen
3e nvl.
dem großen Tisch
der blauen Jacke
dem kleinen Haus
den guten Sachen
4e nvl.
den großen Tisch
 die blaue Jacke
das kleine Haus
die guten Sachen

Slide 13 - Slide

Tot de ¨ein-Gruppe¨ behoren:
  • ein- (een)
  • kein- (geen)
  • mein- (mijn)
  • dein- (jouw)
  • sein- (zijn)
  • ihr- (haar)
  • unser- (ons/onze)
  • euer- (jullie)
  • ihr- (hun)
  • Ihr- (uw)
Deze woordgroepen krijgen dezelfde uitgang als de ein-Gruppe.



bezittelijke voornaamwoorden

Slide 14 - Slide

Ein-Gruppe
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e nvl.
ein / mein
eine / deine
ein / sein
eine / unsere
2e nvl.
eines / meines
einer / meiner
eines / meines
keiner / meiner
3e nvl.
einem/
meinem
einer / deiner
einem /
seinem
einen +-n /
unseren +-n
4e nvl.
einen /meinen
eine / deine
ein / sein
keine / unsere

Slide 15 - Slide

Nu met bijvoeglijk naamwoord
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1e nvl.
ein großer Tisch
eine blaue Jacke
ein kleines Haus
keine guten Sachen 
2e nvl.

eines großen Tisches
einer blauen Jacke
eines kleinen Hausen
keiner guten Sachen
3e nvl.
einem großen Tisch
einer blauen Jacke
einem kleinen Haus
keinen guten Sachen
4e nvl.
einen großen Tisch
eine blaue Jacke
ein kleines Haus
keine guten Sachen 

Slide 16 - Slide

Hoe leer je dat?
Je kunt een

S L E U T E L

tekenen in het schema!

Slide 17 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord: Der-Gruppe

Slide 18 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord: Ein-Gruppe

Slide 19 - Slide

Voorbeeld:
Ein ...  groß... Haus ist fein!

=> geslacht van 'Haus' ?
=> naamval van het zinsdeel?

Slide 20 - Slide

Voorbeeld:
=> geslacht van 'Haus' ?    das Haus - onzijdig
=> naamval van het zinsdeel?  onderw. = 1e nvl.

                Ein- großes Haus ist fein!
= Buch, Seite 56

Slide 21 - Slide

Wat is de meest voorkomende uitgang van het Adjektiv in het Duits ?
A
-e
B
-er
C
-en
D
-es

Slide 22 - Quiz

In welke naamval(en) komt deze meestvoorkomende uitgang -en ALTIJD voor ?
A
1e en 2e naamval
B
2e en 3e naamval
C
3e en 4e naamval
D
1e en 4e naamval

Slide 23 - Quiz

Bij welke woorden komt de meestvoorkomende uitgang -en UITSLUITEND voor ?
A
mannelijk
B
vrouwelijk
C
onzijdig
D
meervoud

Slide 24 - Quiz

Jetzt du!

Slide 25 - Slide

Ein ... jung... Frau hat uns geholfen.
A
- -e
B
- -es
C
-en -en
D
-e -e

Slide 26 - Quiz

Ich habe diese braun... Schuhe (mv).
A
-e
B
-en
C
-er
D
-em

Slide 27 - Quiz

Er trägt meinen blau... Pulli (m).
A
-e
B
-er
C
-en
D
-em

Slide 28 - Quiz

Mein Bruder hat ein gelb...... T-Shirt (0) bekommen.
A
-en
B
-es
C
-e
D
-er

Slide 29 - Quiz

Wir fahren mit (d)... rot..... Boot (o).
A
dem -en
B
den -en
C
das -e
D
dem -em

Slide 30 - Quiz

Ein groß..... Mann kaufte ein Eis.
A
-en
B
-e
C
-es
D
-er

Slide 31 - Quiz

Durch (d)... rot... Hose (v) siehst du hübsch aus!
A
die -e
B
der -er
C
dem -en
D
das -es

Slide 32 - Quiz

Lesdoel bereikt?
Je kunt die uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord toepassen.
A
Ja, ik kan het! Ben me zeker!
B
Nee, ik snap het niet!
C
Nog een beetje leren... en dan komt het goed!
D
Ja, ik denk het wel!

Slide 33 - Quiz

Hausaufgabe:
Willst du noch üben?
= Mach Aufgabe 7 im Buch B, Seite 57. (Lösungen auf teams)

Sowieso lernen: 
Het bijvoegelijk naamwoord in der der- en ein-groep, blz. 56

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Slide