3.4 Moleculaire stoffen mengen

Herhaling: Polair, Apolair en Ionbinding
Het verschil in elektronegativiteit (ΔEN) bepaalt het soort binding (BiNaS 40A)

ΔEN
Soort binding
Voorbeeld
< 0,4
Apolair
C-H, C-S, C=S
0,4-1,7
Polair
C-F, H-Cl, C-O, C=O
> 1,7
Ion
Na+ Cl-
1 / 25
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Herhaling: Polair, Apolair en Ionbinding
Het verschil in elektronegativiteit (ΔEN) bepaalt het soort binding (BiNaS 40A)

ΔEN
Soort binding
Voorbeeld
< 0,4
Apolair
C-H, C-S, C=S
0,4-1,7
Polair
C-F, H-Cl, C-O, C=O
> 1,7
Ion
Na+ Cl-

Slide 1 - Slide

Polair en apolair

Slide 2 - Slide

Herhaling: Polair, Apolair en Ionbinding
Een stof zonder polaire bindingen is een apolaire stof


Als een molecuul een netto dipool heeft dan is het een polaire stof
Een stof met polaire bindingen maar met een netto dipool van 0 is ook een apolaire stof (CO2 = lineair molecuul)


Slide 3 - Slide

Apolaire moleculen
Soms kunnen polaire bindingen in een molecuul elkaar precies tegenwerken
Er is dan netto geen dipool en het molecuul is apolair
Voorbeeld: CO2 
δ
δ
2δ+
0

Slide 4 - Slide

Bindingen tussen moleculen
Van zwak naar sterk:
  • vanderwaalsbinding (tijdelijke + en - kant in molecuul)
  • dipool-dipoolbinding (bij partiële + en - kant)
  • waterstofbrug (bij sterk verschil in partiële + en - kant, vanuit OH en NH-groepen)

  • ion-dipoolbinding afhankelijk van soort ion.

Slide 5 - Slide

Bindingen tussen moleculen
  • vanderwaalsbinding: aantrekking tussen alle moleculen


  • waterstofbrug (H-brug): extra aantrekking bij sterk polaire atoombindingen.


> Sterker bij grotere massa, verzadigde verbindingen, onvertakt.

Slide 6 - Slide

H3.4 Moleculaire stoffen mengen

Slide 7 - Slide

Leerdoelen
Je kunt met behulp van de bouw van moleculen en de bindingen tussen moleculen op microniveau voorspellen hoe stoffen zich bij het mengen (macroniveau) gedragen.

Slide 8 - Slide

Oplosbaarheid (= soort zoekt soort)
  • Polaire stoffen lossen goed op in andere polaire stoffen

  • Apolaire stoffen lossen goed op in andere apolaire stoffen


  • Polaire stoffen lossen slecht op in apolaire stoffen (en andersom)



Slide 9 - Slide

H2O = Polair
Water is de belangrijkste polaire stof

Polaire stoffen lossen dus goed op in water
Deze worden hydrofiel genoemd

Stoffen die niet oplossen in water heten hydrofoob 




Slide 10 - Slide

Slide 11 - Video

Hoe kan ammoniak zo goed oplossen in water?
2 punten
- Ammoniak bevat N-H -groepen, deze groepen kunnen H-bruggen vormen en daarom lost het goed op in water

extra vwo:  Ammoniak is een polair molecuul (N-H is een polaire binding en het is geen lineair molecuul). Polaire stoffen lossen goed op in water (water is ook polair).

Slide 12 - Slide

Hydrofiel en Hydrofoob
Methanol
Wanneer een stof in staat is om waterstofbruggen te vormen lost hij beter op in water
---O-H
---N-H
Polaire stof

Slide 13 - Slide

Hydrofiel en Hydrofoob
Aceton
Lost wel op in water, kan geen
waterstofbruggen vormen.
C=O-groep
Waterstofbug ontvangende groep
Lost ook goed op in wasbenzine

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Huiswerk
33, 34, 36, 38, 39 ac

Slide 17 - Slide

Dynamisch evenwicht

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Teken één butaan-2-aminemolecuul

Slide 20 - Open question

Welke bindingen komen IN een butaan-2-aminemolecuul voor?
A
v/d Waalsbindingen en H-bruggen
B
polaire en apolaire atoombindingen
C
alleen v/d Waalsbindingen
D
alleen apolaire atoombindingen

Slide 21 - Quiz

Welke bindingen komen TUSSEN butaan-2-aminemoleculen voor in de vloeistoffase?
A
v/d Waalsbindingen en H-bruggen
B
Alleen H-bruggen
C
v/d Waalsbindingen, dipool-dipoolbindingen en H-bruggen
D
dipool-dipoolbindingen en H-bruggen

Slide 22 - Quiz

Tekenen
Teken twee butaan-2-aminemoleculen met daar tussen een waterstofbrug.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Welke stof zal het beste mengen met water?
A
methaanamine
B
butaan-2-amine
C
butaan
D
octaan-1-amine

Slide 25 - Quiz