4h - Les 3 - Sterke werkwoorden met 'a' en 'e' in de stam

4h
Les 3 P4
Deutsch!
Gutentag
1 / 42
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

4h
Les 3 P4
Deutsch!
Gutentag

Slide 1 - Slide

Dat is jammer!
A
Das ist schade!
B
Das ist leidenswert!
C
Das ist eine Scham!
D
Das ist leider!

Slide 2 - Quiz

in der Öffentlichkeit
A
in de buitenlucht
B
in het openbaar
C
in het OV
D
in de regering

Slide 3 - Quiz

kaum

Slide 4 - Open question

nooit

Slide 5 - Open question

barbecueën

Slide 6 - Open question

belangrijk

Slide 7 - Open question

A: Starke Verben

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Hoe ziet dat er in een zin uit?


Ich ......... Herr Karstenberg heute nicht ................ .
Ich habe Herr Karstenberg heute nicht gesehen.

Ich .....  in die Türkei ........... .
Ich bin in die Türkei gefahren.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Hij heeft geslapen.
Er ... geschlafen.
A
hast
B
hat
C
habt
D
hatt

Slide 12 - Quiz

Jullie hebben gedragen.
Ihr ... getragen.
A
hast
B
hat
C
habt
D
haben

Slide 13 - Quiz

Wij zijn uitgenodigd.
Wir ... eingeladen.
A
sein
B
sind

Slide 14 - Quiz

Jullie zijn weggelopen.
Ihr ... weggelaufen.
A
sind
B
sein
C
seid
D
seien

Slide 15 - Quiz

Slide 16 - Slide

Ik heb gezwommen.

Slide 17 - Open question

Ik heb ontmoet.

Slide 18 - Open question

sterke werkwoorden in de tegenwoordige tijd

fahren  - laufen - lassen  - geben  - nehmen - schlafen

Slide 19 - Slide

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
fahre
fährst
fahren
fährt
fahrt
fahren

Slide 20 - Drag question

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

er (schlafen)
A
schlaft
B
schlift
C
schläft
D
schläfest

Slide 24 - Quiz

Wast hij zich?
... er sich?
A
Wascht
B
Wäscht

Slide 25 - Quiz

Lopen jullie vaak hard?
... ihr oft?
A
Läuft
B
Laufen
C
Lauft
D
Läufen

Slide 26 - Quiz

Slide 27 - Slide

Van welk hele werkwoord komt de vorm 'sieht'?

Slide 28 - Open question

Van welk hele werkwoord komt de vorm 'nimmt'?

Slide 29 - Open question

Van welke hele werkwoord komt de vorm 'gibt'?

Slide 30 - Open question

Slide 31 - Slide

du (helfen)
A
helfst
B
hilfst
C
hilft
D
helfest

Slide 32 - Quiz

du (vergessen)
A
vergisst
B
vergesst
C
vergiesst
D
vergiest

Slide 33 - Quiz

zij geeft - sie (geben)
A
gebt
B
gibst
C
gibt
D
giebst

Slide 34 - Quiz

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Slide

samengevat

Sterk ww- hoor je door klankverandering

korte klank -e- in het sterke ww -> -i

lange klank -ee- in het sterke ww -> -ie

bij: du , er/sie/es


Sterke ww met -a in de stam wordt

bij: du, er/ sie/es

Slide 39 - Slide

gehen & bleiben
In het Nederlands veel vaker gebruikt dan in het Duits!

gaan - gehen                               Ich gehe nach Berlin.
            - werden                            Ich werde morgen zu hause bleiben.

Dus als je van A naar B gaat / letterlijk verplaatst > gehen
Als je de toekomst bedoelt / iets van plan bent    > werden

Slide 40 - Slide

gehen & bleiben
blijven - bleiben                         Ich bleibe zu Hause.
               - weiterhin / noch immer / die ganze Zeit
                                                  Ich werde weiterhin Deutsch sprechen.
                                                  Es regnet noch immer.
                                                  Meine Mutter redet die ganze Zeit.

letterlijk ergens zijn en niet weggaan    vs.     iets voortzetten

Slide 41 - Slide

D-Prüfung
Maak deze vooral: dan weet je welke vraagstelling je kunt verwachten!!!

Slide 42 - Slide