Welcome back 4A
Welcome back
minute
second
Welcome back 4A
Welcome back
minute
second
This item has no instructions
How are you feeling today?
This item has no instructions
Lesdoel
Ik kan persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden goed gebruiken in korte Engelse zinnen.
This item has no instructions
Today
Vandaag werken beide groepen aan schrijfvaardigheid in het Engels.
Newsround
Zelfstandig werken:
Groep A1: boek 1, 1.5, opdracht 6 t/m 12
Groep A2/B1: boek 2, 1.5, opdracht 5 t/m 10
Extra uitleg voor A1: persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden
Houd deze dia kort. Het doel is alleen de lesstructuur helder maken. De rest van de uitleg richt zich op A1-grammatica, terwijl A2/B1 zelfstandig of met korte begeleiding aan schrijfopdrachten werkt.
A1 (+)
Doet met de uitleg mee (pak je schrift en schrijf mee).
A2/B1:
Gaat zelfstandig aan de slag met 1.5 opdracht 5 t/m 10
This item has no instructions
Wat is een persoonlijk voornaamwoord?
Een persoonlijk voornaamwoord vervangt een naam.
I = ik
you = jij / jullie
he / she / it = hij / zij / het
we / they = wij / zij
Leg uit dat leerlingen hiermee herhaling van namen voorkomen in zinnen. Houd het bij de basisvormen als onderwerp van de zin.
Persoonlijke voornaamwoorden in zinnen
Voorbeelden:
Sara is my friend. She is 14.
Tom and I are classmates. We are in class.
The dog is small. It is cute.
Ali and Sam are here. They are ready.
Benadruk dat het persoonlijk voornaamwoord meestal op de plaats van de persoon of het ding komt. Laat leerlingen zien dat 'it' voor dingen en dieren kan worden gebruikt.
Welk woord is een persoonlijk voornaamwoord?
their
she
my
our
Controleert het verschil tussen persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord na de uitleg op dia 3 en 4.
Kies het goede woord
Sara is my friend. She is 14. Tom and I are classmates. We are in class. The dog is small. It is cute.
Alle goede antwoorden zijn persoonlijke voornaamwoorden uit de voorbeeldzinnen.
Wat is een bezittelijk voornaamwoord?
Een bezittelijk voornaamwoord laat zien van wie iets is.
my = mijn
your = jouw / jullie
his / her = zijn / haar
our / their = ons / onze / hun
Gebruik eenvoudige voorbeelden uit de klas: my book, your pen, our class. Noem 'its' alleen kort als het past bij het niveau van de groep.
Bezittelijke voornaamwoorden in zinnen
Voorbeelden:
This is my book.
Is that your bag?
His name is Adam.
Her pencil is on the table.
Our teacher is nice.
Their house is big.
Wijs erop dat er na een bezittelijk voornaamwoord vaak een zelfstandig naamwoord komt: my book, her pencil, their house.
Welk woord laat bezit zien?
we
he
her
they
Sluit aan op dia 5 en 6: bezittelijke voornaamwoorden laten zien van wie iets is.
Vul de zinnen aan
This is my book. Is that your bag? Our teacher is nice. Their house is big.
Benadruk dat na deze woorden meestal een zelfstandig naamwoord komt: book, bag, teacher, house.
Het verschil
Let op het verschil:
He is my friend. β persoonlijk voornaamwoord
His bike is new. β bezittelijk voornaamwoord
They are in class. β persoonlijk voornaamwoord
Their teacher is here. β bezittelijk voornaamwoord
Dit is de kern van de uitleg. Laat leerlingen het verschil horen en zien: persoon/ding zelf tegenover bezit.
Veelgemaakte fouten
Veel fouten zijn:
She book β β Her book β
My am 13 β β I am 13 β
They bag β β Their bag β
His is a student β β He is a student β
Bespreek waarom de fout ontstaat: leerlingen kiezen soms een woord voor bezit terwijl ze een persoon bedoelen, of andersom.
Schrijven: zo kies je goed
Vraag bij elke zin:
Gaat het om een persoon of ding? β kies een persoonlijk voornaamwoord
Gaat het om van wie iets is? β kies een bezittelijk voornaamwoord
Voorbeeld:
Lina has a pen. Her pen is blue. She writes every day.
Model hardop hoe je kiest: eerst bezit ('Her pen'), daarna de persoon ('She writes'). Dit helpt bij schrijfopdrachten.
Kies de goede zin.
She book is new.
Her book is new.
My am new.
His is new book.
Gebaseerd op de veelgemaakte fouten. Alleen optie 2 gebruikt een bezittelijk voornaamwoord correct voor een zelfstandig naamwoord.
Persoon of bezit?
Lina has a pen. Her pen is blue. She writes every day. Adam is in class. He is a student.
Laat leerlingen bij elke leegte denken: gaat het om bezit of om de persoon zelf?
Next lesson
No English lessons on Thursday
Next week:
Study: words Dutch - English p.39/40
Grammar A2/B1 group
This item has no instructions