H9 voorkennis alkenen en additie

Alkenen & additie
1 / 27
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Alkenen & additie

Slide 1 - Slide

Wat moet je kennen/kunnen?
  • Je weet dat in een alkeen een dubbele binding aanwezig is.
  • Je weet de algemene formule voor een alkeen.
  • Je kan de regels van de systematische naamgeving toepassen bij een alkeen.

Deze les bevat twee filmpjes met uitleg. Bekijk deze als de uitleg op de dia's niet voldoende is om de stof te herhalen.

Slide 2 - Slide

H5.1 en H5.2
Een ALKEEN is een onverzadigde koolwaterstof.
Het molecuul bevat een C=C binding. 

Slide 3 - Slide

alkanen
  • CnH2n+2
  • verzadigde koolwaterstoffen
  • alleen C - C bindingen


alkenen
  • CnH2n
  • onverzadigde koolwaterstoffen
  • bevat één C =C binding

Slide 4 - Slide

Alkaan
Alkeen
Sleep de woorden naar het juiste vak
onverzadigd
verzadigd
C6H12
C18H38
C4H10
C23H46
propaan
etheen

Slide 5 - Drag question

De algemene fomule voor een alkeen is CnH2n
Bij de stamnaam gebruik je de uitgang -een

Een ALKAAN is een eenvoudige koolwaterstof, waarbij tussen de koolstofatomen alleen enkele bindingen voorkomen. 

Slide 6 - Slide

NAAMGEVING:

etheen

propeen


but-1-een


but-2-een

Slide 7 - Slide

Als er in een molecuul twee keer een C=C binding voorkomt, wordt de uitgang bij de stamnaam: dieen

Dit molecuul heet: but-1,3-dieen

Slide 8 - Slide

In dit molecuul komt er naast de C=C binding ook nog  een halogeenatoom voor.
REGEL: de groep in uitgang van de naam krijgt dan het laagste nummer!
(hier: de dubbele binding)


3-broom-prop-1-een

Slide 9 - Slide

karakteristieke groepen:
onthoud: deze karakteristieke groep bepaalt de uitgang van de stof en heeft ALTIJD het LAAGSTE plaatsnummer
  • C=C           > alkeen





Slide 10 - Slide

Systematische naamgeving
1. Zoek de langste keten C-atomen = stamnaamMa En Pa Blowen Perfecte Hasj Heel Ongezond Niet Doen
2. karakteristieke groep = uitgang
- alleen C-H (CnH2n+2) > - aan           - C=C- > - een
3. benoem overige zijgroepen =  voorvoegsels >alfabetische volgorde
halogenen (Cl, F, Br, I) of koolstofketens (-CH3 = methyl, -CH2CH3 = ethyl)
4. plaats telwoorden bij groepen die meer dan 1x voorkomen (di, tri, tetra, penta)
5. geef ELKE groep een plaatsnummer:
- bij alkanen: achter elkaar geplaatst zo laag mogelijk getal
- overige groepen: karakteristieke groep (stap 2) zo laag mogelijk

Slide 11 - Slide

systematische naamgeving alkenen
  • langste keten: 4 C-atomen
    met daarin een C = C
    dus stamnaam is buteen 
  • de C = C krijgt een zo laag mogelijk plaatsnummer:
    voor structuur 1: but-1-een 

    voor structuur 2: but-2-een

Slide 12 - Slide

systematische naamgeving alkenen
  • langste keten: 4 C-atomen
    met daarin een C = C
    dus stamnaam is buteen 
  • de C = C krijgt een zo laag mogelijk plaatsnummer: 1 of 3
    dus but-1-een
  • zijketen is een methylgroep op het 3e C-atoom
    dus 3-methylbut-1-een

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Een alkeen bevat:
A
een C=C binding
B
een C=H binding
C
twee keer een C-C binding

Slide 15 - Quiz

Wat is de algemene formule van een alkeen?
A
CnHn
B
CnH2n
C
CnHn+2
D
CnH2n+2

Slide 16 - Quiz

Geef de naam van de volgende alkeen:

Slide 17 - Open question

Geef de systematische naam:

Slide 18 - Open question

H5.4 Additie reactie





                           C2H4        +       Br2      ->       C2H4Br2

Slide 19 - Slide

Kenmerken van een additiereactie

  • Je start met een onverzadigde koolwaterstof  (C=C)
  • Je voegt één van de volgende stoffen toe: 
             Br2,    Cl2,    H2,    HF,    HCl,    HBr,     HI  of    H2O.
  • De dubbele binding klapt open en er ontstaat één nieuwe stof
  • De reactie verloopt snel

Slide 20 - Slide

Additie met water
Bij een additiereactie met water splitst het H2O molecuul in een H-atoom en een -OH groep. Het H-atoom komt aan het ene C-atoom en de -OH groep aan het andere C-atoom

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

waaraan herken je een additiereactie?
A
er wordt een C=C gevormd
B
er worden twee stoffen samengevoegd
C
de C=C verdwijnt
D
het reactieproduct heeft meer atomen dan de beginstof

Slide 23 - Quiz

Welke stof ontstaat er bij de reactie van propeen met broom (dus Br2)?
A
1-broompropaan
B
1,2-dibroompropaan
C
1,3-dibroompropaan
D
2,3-dibroompropaan

Slide 24 - Quiz

Teken in je schrift de additie van water aan propeen. Welk(e) stof(fen) ontstaan?
A
propaan-1-ol
B
propaan-2-ol
C
beide
D
geen van beide

Slide 25 - Quiz

Teken in je schrift de additie van water aan but-2-een. Welk(e) stof(fen) ontstaan?
A
butaan-1-ol
B
butaan-2-ol
C
butaan-3-ol
D
butaan-2-ol en butaan-3-ol

Slide 26 - Quiz

uitleg
Een molecuul water kun je tekenen als H - OH. Bij additie zal de H aan het ene C-atoom van de C=C binden (als de C=C openklapt) en de OH aan het andere C-atoom.
Als de C=C precies in het midden van de keten zit (symmetrisch molecuul), maakt het niet uit op welke manier H-OH eraan gaat zitten. Dit is het geval bij but-2-een. Als de C=C niet precies in het midden zit, zoals bij propeen, krijg je twee verschillende reactieproducnten. 

Slide 27 - Slide