Warmte capaciteit, soortelijke warmte en verbrandingswarmte

Warmte capaciteit, soortelijke warmte 
en verbrandingswarmte
1 / 48
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 8 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Warmte capaciteit, soortelijke warmte 
en verbrandingswarmte

Slide 1 - Slide

Je kan de verschillen tussen de begrippen warmte capaciteit, soortelijke warmte en verbandingswamte uitleggen.

Je bent in staat om berekeningen uit te voeren waarbij je gebruik maakt van de formules die bij deze begrippen horen.

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Soortelijke warmte

Elke stof heeft eigenschappen waaraan je het kan herkennen.

De soortelijke warmte van een stof is een van deze specifieke eigenschappen


Het symbool voor de soortelijke warmte is: c

De eenheid: J/g°C


Wat houdt het in?

Het zegt iets over de hoeveelheid energie (J) die nodig is om

de temperatuur van  1 gram stof 1 graad Celcius te verhogen. 

Zo heeft 1 gram water 4,18 Joule energie nodig om 1 graad

warmer te worden.









Textboek
zie page 139 & 140
Twee voorbeelden:

Water: 4,18 J/g°C 
Iron: 0,46 J/g°C.

De soortelijke warmte van water is ongeveer 9 keer hoger dan dat van ijzer. Dit betekent dat het veel lastiger is om de temperatuur van water met 1 graad te verhogen dan de temperatuur van ijzer. Je moet daarvoor dus 9 keer zoveel warmte toevoeren.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

Slide 11 - Video

Slide 12 - Video

Ok, bekijk de vraag hiernaast.
Wat is daarop het antwoord.

Upload opnieuw een foto van je berekening in stapjes

Slide 13 - Open question

Een kop koffie heeft een warmtecapaciteit van: 62.6 J/°C.
DE temperatuur van het kopje is met 12 graden toegenomen. Hoeveel warmte heeft de de kop geabsorbeerd?
upload
een foto van je berekening

Slide 14 - Open question

Slide 15 - Video

Kan je uitleggen waarom
de ballon niet knapt?

Slide 16 - Open question

Warmte capaciteit

De warmtecapaciteit van een voorwerp is de hoeveelhed warmte die het voorwerp nodig heeft om zijn temperatuur met 1 graad Celcius te verhogen.


Het symbool voor warmte capaciteit is: C

De eenheid: J/°C











Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Video

Slide 20 - Video

Verbrandingswarmte

Een andere eigenschap waaraan je een stof kan herkennen is de verbrandingswarmte. De verbrandingswarmte geeft aan hoeveel energie (J) er in de vorm van warmte vrijkomt als een vaste hoeveelheid van de stof verbrand. 


Het symbool voor de verbrandingswamte is:  ΔH∘c

Dit symbool komt van het engelse woord:  Heat (H) of combustion (c)


De eenheid: MJ/m3 (gas), MJ/L (vloeistof), MJ/kg (vaste stof)











Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Setup
Calculation
Een blik water wordt verwarmd met behulp van een kaars.

100 ml water wordt zo verwarmd van 22 to 40 ℃

Je kan berekenen hoeveel warmte door het water wordt opgenomen met behulp van de soortelijke warmte van het water.

De warmte die is opgenomen door het water is door de kaars afgegeven. Deze is tijdens de verbranding 0,2 gram lichter geworden. Bereken de verbrandingswarmte van kaarsvet

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Opdracht 1
OPEN TABEL
SLUIT
TABEL
Even oefenen met de soortelijke 
warmte. Bereken A t/m N

Slide 29 - Slide

Question
Answers

Slide 30 - Slide

Bereken A, B

Slide 31 - Open question

Bereken C, D en E

Slide 32 - Open question

Bereken F, G and H

Slide 33 - Open question

Bereken I, J and K

Slide 34 - Open question

Bereken L, M and N

Slide 35 - Open question

Verwarm 25 g olijfolie van 30 °C tot 64 °C.
DE sortelijke warmte van olijfolie is 1.7 J/g∙°C.

Bereken hoeveel warmte er is toegevoerd.

Slide 36 - Open question

Verwarm 53 g terpetine van 1 °C to 34 °C.
De soortelijke warmte van terpetine is 1.8 J/g∙°C.

Bereken hoeveel warmte er is toegevoerd

Slide 37 - Open question

Verwarm 1,25∙ 10^3 g water totdat de temperatuur is gestegen met 75 °C. De soortelijke warmte van water is 4.2 J/g∙°C.

Bereken hoeveel warmte er is toegevoerd.
A
3,9105J
B
3,9104J
C
3,9103J
D
3,9102J

Slide 38 - Quiz

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide

Maken paragraph 1
vragen 1 tot en met 8
Verder moet je ook de vragen van de lessonup maken
Upload de tekstboek vragen 5, 6 en 7 in de lessonup

Slide 41 - Slide

[Q5] Epke verwarmt 100 mL water met een brander. Hij meet de
temperatuur elke 30 s. Een grafiek van deze metingen vind je hiernaast.
Daarna verwarmt Epke 150 mL water. De vlam van de brander is even
groot als de eerste keer. Opnieuw wordt de temperatuur om de 30 s gemeten.
Teken de grafiek opnieuw voor 150 ml water.
worksheet
Upload je grafiek hier

Slide 42 - Open question

[Q6] Leontien heeft 150 g water verwarmd.
Hiernaast zie je de grafiek.

a Bereken hoeveel warmte het water in 15 minutes opneemt.
b Bereken het vermogen van het verwarmingselement
c Je uitkomst bij b zal iets te laag zijn, vergelijken met het
werkelijke vermogen. Waaraan ligt dat?
graph

Slide 43 - Open question

[Q7] Jos heeft eerst 100 g van vloeistof A verwarmd in een warmtemeter
en daarna 100 g van vloeistof B. Hij heeft in beide gevallen hetzelfde verwarmingselement van 12 W gebruikt. Hiernaast zie je de grafiek.
a Welke vloeistof heeft de grootste soortelijke warmte? Waaraan zie je dat?
b Welke van deze twee vloeistoffen zou water kunnen zijn?
Laat zien hoe je aan je antwoord komt.
graph

Slide 44 - Open question

EXTRA:
Ellie maakt 1.5 L thee boven een gasbrander.
Ze verwarmd het water van 20 °C to 100 °C.
Helaas gaat 50%van de warmte die de brander produceert verloren doordat deze warmte langs de pan wegstroomt. De brandstof produceert 46 kJ per gram.

Bereken hoeveel gram brandstof ze nodig heeft gehad.

Slide 45 - Open question

Slide 46 - Slide

Slide 47 - Slide

Slide 48 - Slide