This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slide.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Oefentoets Ethologie
Slide 1 - Slide
Niv. 3-4: Welk type communicatie wordt gebruikt door nachtvogels, dagvogels en zoogdieren?
A
Auditief
B
Visueel
C
Reukzin
D
Elektromagnetisch
Slide 2 - Quiz
Niv. 3-4: Op een kooi met mannetjesmuggen is een klein spelertje geplaatst, waardoor het geluid van een vrouwtjesmug wordt afgespeeld. Alle mannetjes vliegen onmiddellijk in de richting van de speaker en vertonen gedrag dat verband houdt met copulatie. Wat is de beste verklaring voor dit gedrag?
A
Copulatie is een vast actiepatroon, en het vrouwelijke vluchtgeluid is een 'sign stimulus' die dit initieert.
B
Het geluid van het speakertje irriteert de mannelijke muggen, waardoor ze proberen hem te steken.
C
De reproductie aandrang is zo sterk dat wanneer mannen geen vrouwen meer hebben, ze zullen proberen te paren met alles dat ook maar het geringste vrouwelijke kenmerk heeft.
D
Door middel van klassieke conditionering hebben de mannelijke muggen de ongepaste stimulus van de speaker in verband gebracht met de normale reactie van copulatie.
Slide 3 - Quiz
Niv. 1-2: Een stekelbaarsvis zal een vismodel aanvallen zolang he model een rode kleur heeft. Welke van de volgende zaken wordt door deze observatie geïllustreerd?
A
Externe stimulus
B
Cognitie
C
Inprenting
D
Klassieke conditionering
Slide 4 - Quiz
Niv. 3-4: Welke van de volgende voorbeelden beschrijft een gedragspatroon dat het gevolg is van een directe oorzaak?
A
Een jonge kat doodt een muis om voedingsstoffen te verkrijgen die nodig zijn voor groei.
B
Een mannelijk schaap vecht met een ander mannetje om zijn kansen op het aantrekken van een partner te vergroten.
C
Een vrouwtjesvogel legt haar eieren wanneer de daglichtlengte langer is dan 12 uur.
D
Een mus verzamelt bladeren en kleine takjes om een nest te bouwen dat haar eieren beschermt.
Slide 5 - Quiz
Niv. 3-4: Tijdens een excursie raakte een instructeur een mot aan die op een boomstam rustte. De mot hief zijn voorvleugels op om grote oogvlekken op zijn achtervleugels te onthullen. De instructeur vroeg de leerlingen waarom de mot zijn vleugels opstak. Eén student antwoordde dat sensorische receptoren een neuronale reflex hadden geactiveerd die culmineerde in de samentrekking van bepaalde spieren. Een tweede student antwoordde dat het gedrag roofdieren zou kunnen afschrikken. Welke van de volgende karakteriseert deze hypothesen het beste?
A
De eerste verklaring is juist, maar de tweede is onjuist.
B
De eerste verklaring verwijst naar directe causaliteit, terwijl de tweede verwijst naar ultieme causaliteit.
C
De eerste verklaring is toetsbaar als wetenschappelijke hypothese, terwijl de tweede dat niet is.
D
Beide verklaringen zijn redelijk en vertegenwoordigen eenvoudigweg een verschil van mening.
Slide 6 - Quiz
Niv. 3-4: Eekhoorns maken alarmgeluiden wanneer een model van een uil in hun territorium wordt geplaatst. Wanneer een rood blok ter grootte van de uil in het territorium wordt geplaatst tonen de eekhoorns geen alarm. Welke van de volgende verklaringen verklaart deze observaties het beste?
A
De eekhoorns kunnen geen rode voorwerpen zien en maken dus geen alarmgeluiden.
B
Het uilenmodel, maar niet het rode blok activeert het vaste actiepatroon van alarmgeluiden.
C
Het uilenmodel is de ultieme oorzaak van alarmvocaal gedrag.
D
De eekhoorn probeert de uil naar zijn territorium te lokken.
Slide 7 - Quiz
Niv. 3-4: Welk begrip past het beste bij de stelling/vraag? Met vallen en opstaan leert een rat foutloos door een doolhof te rennen en zo een voedselbeloning te ontvangen. Welke van de volgende mechanismen resulteert in het gedrag van de rat?
A
Operante conditionering
B
Klassieke conditionering
C
Aangeboren gedrag
D
Inprenting
Slide 8 - Quiz
Niv. 3-4: Welk begrip past het beste bij de stelling/vraag? Een mensenbaby voert een zuiggedrag heel goed uit als hij zich in de aanwezigheid van de tepel van de borst van zijn moeder bevindt. Welke van de volgende mechanismen resulteert in dit gedrag?
A
Operante conditionering
B
Klassieke conditionering
C
Aangeboren gedrag
D
Inprenting
Slide 9 - Quiz
Niv. 3-4: Welk begrip past het beste bij de stelling/vraag? Welk van de mechanismen helpt een moedergeit haar eigen kind aan de geur te herkennen?
A
Operante conditionering
B
Klassieke conditionering
C
Aangeboren gedrag
D
Inprenting
Slide 10 - Quiz
Niv. 3-4: Welk begrip past het beste bij de stelling/vraag? Een kat rent naar zijn voerbar als hij het geluid van een blikopener hoort. Welk van de mechanismen resulteert in dit gedrag?
A
Operante conditionering
B
Klassieke conditionering
C
Aangeboren gedrag
D
Inprenting
Slide 11 - Quiz
Niv. 3-4: Welk begrip past het beste bij de stelling/vraag? Elke ochtend ging John op dezelfde tijd naar het kamer om zijn nieuwe tropische vissen te voeren. Na een paar weken merkte hij dat de vis naar de bovenkant van het aquarium zwom toen hij de kamer binnenkwam. Welke van de volgende mechanismen resulteert in dit gedrag?
A
Operante conditionering
B
Klassieke conditionering
C
Aangeboren gedrag
D
Inprenting
Slide 12 - Quiz
Niv. 3-4: Welk begrip past het beste bij de stelling/vraag? Sommige honden houden van aandacht, en Frodo de beagle leert dat als hij blaft, hij aandacht krijgt. Welke van de volgende mechanismen resulteert in dit gedrag?
A
Operante conditionering
B
Klassieke conditionering
C
Aangeboren gedrag
D
Inprenting
Slide 13 - Quiz
Niv. 1-2: Welke van de volgende soorten leren draagt het meest bij aan de ontwikkeling van cultuur?
A
Sociaal leren
B
Associatief leren
C
Opdruk
D
Ruimtelijk leren
Slide 14 - Quiz
Niv. 3-4: Studies waarin onderzoekers het gedrag van eeneiige tweelingen vergelijken die apart zijn opgegroeid met het gedrag van een tweeling die in hetzelfde huishouden zijn grootgebracht, worden vaak gebruikt om menselijk gedrag te bestuderen. Welke soorten gedragsvragen kunnen het beste worden beantwoord door dergelijk onderzoek met behulp van menselijke tweelingen?
A
Vragen over de invloed van genetica en omgeving op gedrag
B
Vragen over de evolutie van cultuur
C
Vragen over de invloed van geografische locatie op gedrag
D
Vragen over de rol van voeding op gedrag
Slide 15 - Quiz
Niv. 3-4: Je wordt midden in de nacht wakker om naar het toilet te gaan. Je kunt niets zien in het donker en je wilt het licht niet aandoen, waardoor je anderen die bij je in de buurt slapen worden gestoord. u bent vaak vanuit uw bed naar het toilet genavigeerd en probeert dit opnieuw te doen. Welke van de volgende dingen heeft u waarschijnlijk geholpen uw weg te onthouden.
A
Sociaal leren
B
Associatief leren
C
Opdruk
D
Ruimtelijk leren
Slide 16 - Quiz
Niv. 3-4: Je ontdekt een zeldzame nieuwe vogelsoort, maar je kunt het paargedrag ervan niet observeren. Je ziet dat het mannetje groot en sierlijk is vergeleken met het vrouwtje. Welke van de volgende beweringen over deze soort is het meest waarschijnlijk waar?
A
Het is polygaam
B
Het is monogaam
C
Het is polyandrisch
D
Het is agonistisch
Slide 17 - Quiz
Niv. 1-2: Welke van de volgende beweringen over paarsystemen en ouderlijke zorg is waar?
A
Monogamie komt vaker voor bij vogelsoorten die jongen voortbrengen die vrijwel onmiddellijk na het uitkomen voor zichzelf kunnen zorgen
B
Polygenie komt vaker voor bij diersoorten die twee ouders nodig hebben om. hun nakomelingen te voeden en te beschermen
C
Bij de meeste soorten vogels en zoogdieren is een hoge mate van zekerheid over het vaderschap gecorreleerd met een lage mate van mannelijke ouderlijke zorg
D
Het is waarschijnlijk dat vissen en amfibieën ouderlijke zorg verlenen bij externe bevruchting dan bij interne bevruchting
Slide 18 - Quiz
Niv. 1-2: Bij het observeren van een steenarend die overvliegt, geeft een prairiehond een waarschuwingsoproep aan andere foeragerende leden van de prairiehondengemeenschap. Welke van de volgende gedragingen wordt in dit voorbeeld weergegeven?
A
Klassieke conditionering
B
Aangeboren gedrag
C
Inprenting
D
Altruïstisch gedrag
Slide 19 - Quiz
Niv. 3-4: Hoe ontstaat altruïstisch gedrag door natuurlijke selectie?
A
Altruïstisch gedrag vergroot de kans dat de genen van de altruïst in de volgende generatie vertegenwoordigd zullen zijn
B
De altruïst wordt door andere leden van de bevolking gewaardeerd omdat zijn overlevingskansen zijn vergroot dankzij zijn risicovolle gedrag
C
Dieren die altruïstische daden verrichten, mogen binnen hun groep meer paren, waardoor hun gedragsgenen worden doorgegeven aan toekomstige generaties
D
Altruïstisch gedrag vermindert de stress in populaties, waardoor de overlevingskansen van alle leden van de bevolking toenemen
Slide 20 - Quiz
Niv. 1-2: Welke van de volgende is een vorm van natuurlijke selectie die altruïsme bevordert door het reproductieve succes van familieleden te vergroten?
A
Verwantschapsselectie
B
Kunstmatige selectie
C
Seksuele selectie
D
Intraseksuele selectie
Slide 21 - Quiz
Niv. 3-4: Met welke van de volgende groepen zou een persoon gezamenlijk de meeste alleen delen?