3T 1.3 Vermogen en Energie

hst 1.3 "vermogen en energie"
1 / 39
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

hst 1.3 "vermogen en energie"

Slide 1 - Slide

Vandaag
Korte herhaling H1.1 en H1.2
leerdoelen Vermogen
Uitleg formule  P = U x I
Uitleg formule E = P x t
Zelfstandig werken




Slide 2 - Slide

Leerdoelen
1.3.1 Je kunt uitleggen wat wordt bedoeld met het vermogen van een apparaat.
1.3.2 Je kunt berekeningen uitvoeren met spanning, stroomsterkte en vermogen. 
1.3.3 Je kunt uitleggen hoe het verbruik van elektrische energie in huis wordt gemeten.
1.3.4 Je kunt het energieverbruik van elektrische apparaten berekenen in kWh.
1.3.5 Je kunt berekenen hoeveel je voor de verbruikte elektrische energie moet betalen.

Slide 3 - Slide

serie? parallel? zie volgende dia's

Slide 4 - Slide

Waarom zijn alle apparaten in huis parallel aangesloten?

Slide 5 - Open question

Fasedraad
Nuldraad
Schakeldraad

Slide 6 - Drag question

Serie of Parallel?
A
parallel schakeling
B
serie schakeling
C
gemengde schakeling

Slide 7 - Quiz

AgraT 17: Welke kleur heeft de 'nul-draad' in een elektrische installatie?
A
Bruin
B
Groen/Geel
C
Blauw
D
Zwart

Slide 8 - Quiz

Een draad is bruin. Hoe noem je deze draad?
A
fasedraad
B
nuldraad
C
aardedraad
D
schakeldraad

Slide 9 - Quiz

Wat gebeurt er als de niet geïsoleerde draden van de fase en de nul elkaar raken?
A
Kortsluiting
B
Overbelasting

Slide 10 - Quiz

Is dit een serie of een parallel schakeling?
A
Serie
B
Parallel

Slide 11 - Quiz

Schakel je een Ampèremeter in serie of parallel om de stroom te kunnen meten?
A
Serie
B
Parallel

Slide 12 - Quiz

Leerdoelen
  • Wat is het vermogen van een apparaat.

  • Rekenen met spanning, stroomsterkte en vermogen.

  • Berekenen van energieverbruik van elektrische apparaten in kWh.

  • Berekenen hoeveel je voor de verbruikte elektrische energie moet betalen.

Slide 13 - Slide

Paragraaf 3
Een apparaat met een klein vermogen gebruikt per seconde weinig
energie. (Heeft dus weinig smarties nodig)

Maar een apparaat met een GROOT vermogen  gebruikt per seconde veel
energie. (Heeft dus veel smarties nodig)


Slide 14 - Slide

Vermogen
Hoeveel elektrische energie een apparaat per seconde verbruikt, noem je het vermogen

Afkorting: P

De eenheid van vermogen is:
Watt (W) 



Slide 15 - Slide

Paragraaf 3
Het vermogen (P) hangt af van: De spanning (U)
  • Hoe meer volt (V), des te groter het vermogen in Watt (W)

Het vermogen (P) hangt ook af van: De stroomsterkte (I)
  • Hoe meer Ampere (A), des te groter het vermogen in Watt (W)
De formule is dan dus: 
P=UI

Slide 16 - Slide

Paragraaf 3
Rekenen met het vermogen:


Slide 17 - Slide

P = U x I
P = vermogen             in watt (W)
U = spanning              in volt (V)
I = stroomsterkte      in ampère (A)

Opgave:
Op een lader van een telefoon
staat 5 V en 2 A. 
Hoe groot is het het vermogen van dit lampje?




Slide 18 - Slide

antwoord
Gegevens    U = 6V
                         I   = 2A
Gevraagd     Wat is het vermogen in W?
Formule        P  =   U  x I 
Uitwerking   P  =   6  x 2 =12
 Antwoord    Het vermogen is 12 W

Slide 19 - Slide

Wat is de eenheid van Vermogen?

Slide 20 - Open question

Een apparaat van 1950 W is aangesloten op het stopcontact. Hoe groot is de stroomsterkte door het apparaat?

Slide 21 - Open question

Paragraaf 3
Zoals we al zagen is het vermogen (P) de hoeveelheid energie (E) die per seconde (s) gebruikt wordt. of te wel:


Als we dan de hoeveelheid energie willen uitrekenen is dat dus:

vermogen=tijdenergie
Energie=vermogentijd

Slide 22 - Slide

Paragraaf 3
Belangrijk: als we het vermogen (P) invullen in W(att) en de tijd (t) in seconden (s) krijg je het energieverbruik (E) in Ws en noemen we altijd J(oule)

als we het vermogen (P) invullen in KiloWatt (kW) en de tijd (t) in uur (h) krijg je het energieverbruik (E) in Kilowattuur (kWh)

Slide 23 - Slide

Energieverbruik 
  • Apparaten verbruiken energie. We rekenen af  per kWh.

  • 1 kiloWatt is 1.000 Watt.                                                                                                        Kilo-Watt-uur (kWh) is de maatstaf voor elektrische energie-inhoud. 

  • Het is het gemiddeld vermogen dat verbruikt wordt gedurende één uur.              Een elektrische kachel met een maximaal vermogen van 2 kW verbruikt per uur 2 kWh       als hij maximaal aanstaat.

  • Een kWh (kilo-Watt-uur) kost ongeveer 23 cent => Maar hoe rekenen we hiermee?

Slide 24 - Slide

Energieverbruik
1
2
3

Slide 25 - Slide

E = P x t
E = energieverbruik in kilowattuur (kWh)
P = vermogen in kilowatt (kW)
t = tijd in uur (h)

Een lamp met een vermogen van 15W 
brandt de hele avond (18:00 - 23:00)
Bereken hoeveel energie de lamp verbruikt.

Slide 26 - Slide

Antwoord
Gegevens :    P = 15 W = 0,015 kW ; t = 23:00-18:00 = 5 uur
Gevraagd:      Hoeveel energie verbruikt de lamp  in kWh
Formule:         E = P x t
Uitwerking:    E = 0,015 x 5 = 0,075 kWh
Antwoord:       De energieverbruik van de lamp is 0,075 kWh

Slide 27 - Slide

Tijdens het studeren staat je bureaulampje 1,5 uur aan. Op het lampje staat 25 W. Wat is de verbruikte energie?

Slide 28 - Open question

Een beamerlamp heeft een vermogen van 200 W. De beamer kan ongeveer 4000 uur branden. Hoeveel energie kost het om de lamp helemaal op de branden?

Slide 29 - Open question

Samenvatting
Vermogen is hoeveelheid elektrische energie die een apparaat per seconde verbruikt!
P = U x I   (vermogen in Watt)

Energieverbruik is het gemiddelde vermogen dat verbruikt wordt gedurende één uur
E = P x t   (vermogen in kiloWatt)


Slide 30 - Slide

Slide 31 - Video

Leg uit hoe kortsluiting kan ontstaan

Slide 32 - Open question

Hoe kan overbelasting ontstaan?

Slide 33 - Open question

Waarom zijn er in huis meerdere groepen

Slide 34 - Open question

Op een fietslampje staat 0,3 A en 15 V
Bereken het vermogen van dat lampje.

Slide 35 - Open question

Een telefoon moet om op te laden 3 uur aan de lader. De lader heeft een vermogen van 10 W. Hoeveel energie gaat er in die tijd in de telefoon?

Slide 36 - Open question

Op een zaklamp staat: 50 V en 2 A. De zaklamp staat 10 uren aan. Bereken de energie die deze zaklamp verbruikt in die tijd.

Slide 37 - Open question

Zelfstandig werken
Zelfstandig werken
Rood
Stil
Oranje
Fluisteren
Groen
Overleggen
timer
30:00
Hoe?
Zelfstandig 
Ik loop rond voor vragen
Waar?
Op het boek en schrift

Wat?
Maak de opdrachten 1 t/m 12
Klaar?
Check jouw antwoorden via teams UW blaadje

Slide 38 - Slide

Leerdoelen
  • Wat is het vermogen van een apparaat.

  • Rekenen met spanning, stroomsterkte en vermogen.

  • Berekenen van energieverbruik van elektrische apparaten in kWh.

  • Berekenen hoeveel je voor de verbruikte elektrische energie moet betalen.

Slide 39 - Slide