Les 19 maart

Vandaag
Opwarmer
Verwijswoorden
Woorden - antoniemen








1 / 41
next
Slide 1: Slide
NederlandsEnseignement Secondaire

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 75 min

Items in this lesson

Vandaag
Opwarmer
Verwijswoorden
Woorden - antoniemen








Slide 1 - Slide

Opwarmer
https://www.vrt.be/vrtmax/ketnet/spelletjes/d/de-actuaquiz-van-karrewiet/









Slide 2 - Slide

Verwijswoorden
Even herhalen

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Verwijswoorden ver

Je kunt de verwijswoorden gebruiken die passen bij het woordgeslacht.

Je kent de regels van het gebruik van verwijswoorden.

Verwijswoorden verwijzen naar:
één woord
een paar woorden
een hele zin
Doel:
Ze maken de tekst minder saai en beter leesbaar
Hoe vind je de verwijzing?:
Stel de vraag: wie, wat, waar, welke

Slide 5 - Slide

opdracht 8 bijvoorbeeld zo:
Isa ging vandaag met de bus naar school. Haar bus was te laat, waardoor ze te laat op school kwam. Isa baalde ontzettend. Ze was bang dat haar docent Nederlands erg boos op haar zou worden.

Voorbeeld
Isa ging vandaag met de bus naar school. Haar bus was te laat waardoor ze te laat op school kwam. Isa baalde ontzettend. Ze was bang dat haar docent Nederlands erg boos zou zijn.

Slide 6 - Slide

Waarnaar verwijst 'het' ?

Met hulp kun je faalangst onder controle krijgen. Het gaat niet vanzelf over.
A
hulp
B
Met hulp kun je faalangst onder controle krijgen.
C
faalangst
D
onder controle

Slide 7 - Quiz

Waarnaar verwijst 'daar'?

Zodra ik de toets voor me heb, weet ik niets meer. Daar baal ik ontzettend van!
A
Zodra ik de toets voor me heb, weet ik niets meer.
B
de toets
C
me
D
ik

Slide 8 - Quiz

Waarnaar verwijst 'zij'?

De moeder van Lisa overhoort Lisa.
Zij doet dat heel trouw.
A
Lisa
B
De moeder
C
overhoort
D
De moeder van Lisa

Slide 9 - Quiz

Waarnaar kan een woord verwijzen?
A
één woord
B
een hele zin
C
een groep woorden
D
A, B, C zijn alle drie waar

Slide 10 - Quiz

Slide 11 - Link

Woorden oefenen
https://quizlet.com/1150720573/match?funnelUUID=2d556333-773f-4c22-a405-ac838aa03031





Slide 12 - Slide

Antoniemen

Slide 13 - Slide

Antoniemen
  • Antoniemen zijn woorden met een tegenovergestelde betekenis

Slide 14 - Slide

Antoniemen
  • Antoniemen zijn woorden met een tegenovergestelde betekenis
  • Met antoniemen kun je de betekenis van woorden die je niet kent achterhalen

Slide 15 - Slide

Antoniemen
  • Antoniemen zijn woorden met een tegenovergestelde betekenis
  • Met antoniemen kun je de betekenis van woorden die je niet kent achterhalen
  • Let op signaalwoorden die een tegenstelling aankondigen
maar, daarentegen, juist, in tegenstelling tot

Slide 16 - Slide

Antoniemen
  • Antoniemen zijn woorden met een tegenovergestelde betekenis
  • Met antoniemen kun je de betekenis van woorden die je niet kent achterhalen
  • Let op signaalwoorden die een tegenstelling aankondigen
maar, daarentegen, juist, in tegenstelling tot
  • Je herkent antoniemen soms aan voor- en achtervoegsels

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

kwaad - boos
A
synoniem
B
antoniem

Slide 19 - Quiz

Het antoniem van 'vaak' is:
A
nooit
B
meestal
C
frequent
D
dikwijls

Slide 20 - Quiz

sanctie - straf
A
synoniem
B
antoniem

Slide 21 - Quiz

het antoniem van aanmoedigen is:
A
stimuleren
B
ontmoedigen
C
demotiveren
D
bevorderen

Slide 22 - Quiz

snel - traag
A
synoniem
B
antoniem

Slide 23 - Quiz

licht
blij
dag
mooi
groot
donker
verdrietig
nacht
lelijk
klein

Slide 24 - Drag question

Wat is het antoniem van elke dag hetzelfde
A
steeds
B
opnieuw
C
variëren
D
houtje-touwtje

Slide 25 - Quiz

5. Waar staat een goed antoniem?
A
complex - ingewikkeld
B
moeilijk - ingewikkeld
C
complex - imcomplex
D
complex - eenvoudig

Slide 26 - Quiz

Wat is het antoniem van luxe
A
spartaans
B
weelderig
C
duur
D
neutraal

Slide 27 - Quiz

10. Een antoniem in een zin wordt vaak aangekondigd door een:
A
verwijswoord
B
voornaamwoord
C
signaalwoord
D
synoniem

Slide 28 - Quiz

Welk antoniem kun je invullen?
De hond was doodziek, nu is hij........
A
zieker
B
buiten
C
kerngezond
D
bij oma

Slide 29 - Quiz

Antoniemen herken je soms aan:
A
voorzetsels
B
achtervoegsels
C
voorvoegsels
D
verwijswoorden.

Slide 30 - Quiz

Wat is een antoniem van interesse?
A
Geïnteresseerd
B
Boeiend
C
Desinteresse
D
Oplettendheid

Slide 31 - Quiz

Woorden met een tegengestelde betekenis noem je synoniemen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 32 - Quiz

Woorden met een tegengestelde betekenis noem je antoniemen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 33 - Quiz

Wat is het antoniem van een niet-roker?
A
Een roker die gestopt is
B
Een roker
C
Iemand die begint met roken

Slide 34 - Quiz

Voor- en achtervoegsels.
Antoniemen herken je soms door voor- of achtervoegsels.
De voorvoegsels: on-, non-, niet-, anti-, contra-, ir-, a-, in-, dis-, de- en des- betekenen NIET of TEGEN.(prefix)
Het achtervoegsel -loos betekent zonder.( suffixen)

Slide 35 - Slide

Bedenk een voorvoegsel dat "niet", "geen" of "tegen" betekent.

Slide 36 - Open question

Kunnen voorvoegsels en achtervoegsels als een los woord voorkomen?
A
Ja
B
Nee

Slide 37 - Quiz

Schrijf een woord op met het voorvoegsel: contra-, ir- of dis-

Slide 38 - Open question

Het achtervoegsel -loos betekent....
A
Min
B
Groot
C
Negatief
D
Zonder

Slide 39 - Quiz

Schrijf een woord op met het voorvoegsel: des- on- of non-

Slide 40 - Open question

moeilijke woorden?
https://create.kahoot.it/details/022b2042-55ec-409c-abef-4bc256d1015e?drawer=

Slide 41 - Slide