2.8 spelling persoonsvorm in de tt



Welkom allemaal!

Wat gaan we deze les doen? 

Vandaag gaan we aan het werk in 2.8 Spelling...
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, t, mavoLeerjaar 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson



Welkom allemaal!

Wat gaan we deze les doen? 

Vandaag gaan we aan het werk in 2.8 Spelling...

Slide 1 - Slide

Maar eerst: hoe zit je er vandaag bij? Hoe is het met je?

Slide 2 - Open question

En dan verder...

  • Uitleg Spelling
  • Quiz
  • Werken in Talent
  • Afsluiting

Slide 3 - Slide

DOEL



SPELLING VAN WERKWOORDEN

- je kent de stam van een werkwoord

- je kunt de pv in de tt juist invullen




Slide 4 - Slide

werkwoordspelling

Slide 5 - Mind map

De STAM van een werkwoord

De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen; wat je overhoudt, is de stam.




Bijvoorbeeld:

worden - en = word

leiden - en = leid

houden -en = houd


Slide 6 - Slide

De STAM van een werkwoord

Soms ziet de stam van het werkwoord er gek uit





geloven - en = gelov

reizen - en = reiz

lopen - en = lop



Slide 7 - Slide

De STAM van een werkwoord

Als je het woord moet schrijven, pas je de stam aan

naar de ik-vorm





geloven - en = gelov - de ik-vorm = geloof

reizen - en = reiz - de ik-vorm = reis

lopen - en = lop - de ik-vorm = loop


Slide 8 - Slide

1. Spelling

van de persoonsvorm


in de

tegenwoordige tijd

Slide 9 - Slide

De persoonsvorm spellen in de

tegenwoordige tijd


Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat,

zijn er maar drie mogelijkheden

Slide 10 - Slide

1. STAM

Enkelvoud ik-vorm of jij erachter:

schrijf alleen de stam


ik loop

ik fiets

ik praat

ik vind

loop jij

fiets jij

praat jij

vind jij

Slide 11 - Slide

2. STAM + T

Enkelvoud andere vormen:

schrijf de stam + t


jij loopt

hij fietst

zij praat

Fred vindt

Slide 12 - Slide

3. HELE WERKWOORD

Meervoud:

schrijf het hele werkwoord (infinitief)


wij lopen

zij fietsen

jullie praten

Fred en Laurien vinden

Slide 13 - Slide

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
de ik-vorm
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 14 - Quiz

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
de het-vorm
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 15 - Quiz

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
jij achter het werkwoord
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 16 - Quiz

Welke spellingregel pas je toe in de tt bij:
jullie
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 17 - Quiz

0

Slide 18 - Video

Noteer de pv in de tt:
Hoeveel euro (besteden) jij elke maand aan make-up?

Slide 19 - Open question

Noteer de pv in de tt:
De pestvogel (leven) in het noorden van Scandinavië.

Slide 20 - Open question

Noteer de pv in de tt:
Een bedorven ei (drijven), maar een vers ei niet.

Slide 21 - Open question

Noteer de pv in de tt:
Mischa en Kai (hurken) naast de verdwaalde peuter.

Slide 22 - Open question

Noteer de pv in de tt:
Daniëlle (aanvaarden) de excuses van Rivka.

Slide 23 - Open question

Is het woord tussen haakjes een pv?
De agent (bekeurt) de man voor te hard rijden.

A
ja
B
nee

Slide 24 - Quiz

Is het onderstreepte woord een pv?
Vanmorgen hebben Karen en Bas in het bos gelopen.
__________
A
ja
B
nee

Slide 25 - Quiz

Noteer de pv in de tt:
Rob (kaften) zijn schoolboeken met oude landkaarten.

Slide 26 - Open question

Noteer de pv in de tt:
Wij (verbazen) ons over de prijs van de vliegtickets.

Slide 27 - Open question

Maken: 


2.8 Spelling 
1, 3, 4, 5

timer
1:00

Slide 28 - Slide

Wat heb je deze les geleerd?

Slide 29 - Open question