Op weg naar rijbewijs B - herhalingsles

Op weg naar rijbewijs B - herhalingsles
1 / 51
next
Slide 1: Slide
GASVBuitengewoon secundair onderwijs

This lesson contains 51 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Op weg naar rijbewijs B - herhalingsles

Slide 1 - Slide

1. Kruispunten: voorrangstrap
 1) Verkeersregels 
Op een  kruispunt waar de voorrang  niet geregeld wordt door een bevoegd persoon, verkeerslichten of verkeersborden, geldt de algemene regel: voorrang verlenen aan bestuurders die van rechts komen. 

2) verkeersborden 
Op een kruispunt met voorrangsborden, geven deze aan wie voorrang moet verlenen.

3) Verkeerslichten 
Als op een kruispunt de verkeerslichten werken, gaan die boven de verkeersborden en -regels 

Slide 2 - Slide

1. Kruispunten: voorrangstrap
4) Bevoegde personen
Op een kruispunt waar een bevoegde persoon het verkeer regelt, gaan zijn bevelen boven verkeerslichten, verkeersborden en verkeersregels. Je moet dan de bevelen opvolgen.  


Slide 3 - Slide

1. Kruispunten: algemene regel
Op een  kruispunt waar de voorrang  niet geregeld wordt door een bevoegd persoon, verkeerslichten of verkeersborden, geldt de algemene regel: voorrang verlenen aan bestuurders die van rechts komen. 


Ook als de bestuurder die van rechts komen eerst zelf
gestopt zijn, ben je nog altijd verplicht om hen 
voorrang te verlenen. Zij mogen als eerste het 
kruispunt oprijden. 

Slide 4 - Slide

1. Kruispunten: uitzonderingen
Aardeweg
Wie van een aardeweg of pad komt, moet voorrang verlenen aan alle andere bestuurders op de kruisende baan. 

Doorlopend fietspad 
Je moet altijd voorrang verlenen aan weggebruikers die zich op een doorlopend voetpad of fietspad bevinden.

Prioritair voertuig
Aan een prioritair voertuig moet je altijd voorrang verlenen. 


Slide 5 - Slide

1. Kruispunten: verkeersborden en wegmarkeringen 
Voorrang aan rechts verlenen 
Bij sommige kruispunten waar de algemene regel geldt, zie je toch een voorrangsbord staan. 

Slide 6 - Slide

1. Kruispunten: verkeersborden en wegmarkeringen 
Omgekeerde driehoek en haaientanden 
Dit bord betekent dat je voorrang  moet verlenen aan iedere bestuurder op de weg die je wil oprijden.  Als je moet stoppen, doe je dit aan de haaientanden. 


Indien er geen bestuurders zijn, mag je gewoon
het kruispunt oprijden. 


Slide 7 - Slide

1. Kruispunten: verkeersborden en wegmarkeringen 
Stopbord en stopstreep
Dit bord betekent dat je altijd moet stoppen en voorrang moet verlenen aan alle bestuurders die zich bevinden op de weg die je wil oprijden. 

Je stopt voor de stopstreep of voor het bord als 
er geen stopstreep is. 

Slide 8 - Slide

1. Kruispunten: verkeersborden en wegmarkeringen 
Voorrang op het kruispunt 
Dit bord betekent dat andere bestuurders jou voorrang moeten verlenen op dit kruispunt. De dikke zwarte lijn symboliseert de hoofdweg waarop jij aan het rijden bent. De smallere zwarte lijn verwijst naar de zijstraten. 


Slide 9 - Slide

1. Kruispunten: verkeersborden en wegmarkeringen 
Voorrangsweg
Dit bord betekent dat je op een voorrangsweg rijdt. Op alle kruispunten op deze weg moeten de bestuurders aan jou voorrang verlenen. 

Dit bord blijft gelden tot 'einde voorrangsweg'. 

Slide 10 - Slide

1. Kruispunten: kruisen bij links afslaan 
Geen wegmarkeringen 
Als er geen wegmarkeringen zijn, moet je 
langs rechts kruisen. Je kruist elkaar eerst rechts 
en daarna sla je achter elkaar links af 

Met wegmarkeringen 
Als er wegmarkeringen zijn, moet je langs 
links kruisen. Je slaat voor je elkaar kruist, links af

Slide 11 - Slide

1. Kruispunten: moeilijke kruispunten
Algemene regel 
Recht doorgaand verkeer, heeft voorrang op afslaand verkeer.





Een korte bocht heeft voorrang op een lange bocht

Slide 12 - Slide

Wat moet je doen bij dit verkeersbord?
A
Voorrang verlenen en zo nodig stoppen
B
Stoppen en voorrang verlenen

Slide 13 - Quiz

Wie moet voorrang verlenen op dit kruispunt?
A
Auto A
B
Auto B

Slide 14 - Quiz

Wat betekent dit verkeersbord?
A
Je rijdt op een voorrangsweg en nadert een kruispunt
B
Je moet voorrang verlenen aan rechts op dit kruispunt
C
Je nadert een gevaarlijk kruispunt

Slide 15 - Quiz

Kruisen deze auto's elkaar correct
A
Ja
B
Neen

Slide 16 - Quiz

2. Snelheid: algemene regel
Bebouwde kom
Vlaanderen en Wallonië: 50 km/u
Brussels gewest: 30 km/u

Buiten de bebouwde kom
Vlaams en Brussels gewest: 70 km/u
Waals gewest: 90 km/u

! Minstens 2 rijstroken in beide rijrichting, 
gescheiden door een middenberm: 120 km/u

Slide 17 - Slide

2. Snelheid: verkeersborden
Borden die de maximumsnelheid aanduiden, staan boven de algemene snelheidsregels. 

Ze zijn geldig tot
  • Het bord dat het einde van de snelheidslimiet aanduidt
  • Het eerstvolgende kruispunt 
  • Een volgend verkeersbord in verband met de snelheid

Slide 18 - Slide

2. Snelheid: snelheidszone
Een snelheidszone begint en eindigt steeds 
met een zonebord. 





Binnen de snelheidszone kan ook nog een andere maximumsnelheid gelden door: 
  • Een verkeersbord dat een andere snelheid oplegt 
  • Een erf, woonerf of schoolomgeving 

Slide 19 - Slide

2. Snelheid: bijzondere omgevingen
Voetgangerszone 
Het begin en einde van een voetgangerszone duidt 
men aan met een verkeersbord. 

Een voetgangerszone is bedoeld voor voetgangers,
Soms worden andere bestuurders ook toegelaten, 
en staat dit vermeld op het zonebord. 

Bestuurders die in een voetgangerszone rijden, 
moeten stapvoets rijden. 

Slide 20 - Slide

2. Snelheid: bijzondere omgevingen
Erf of woonerf 
Het begin of einde van een erf of woonerf wordt aangeduid door een verkeersbord. 
In een woonerf mag je maximaal 20 km/u rijden. 
Parkeren mag enkel op de voorziene parkeerplaatsen. 


Slide 21 - Slide

2. Snelheid: bijzondere omgevingen
Schoolomgeving 
In schoolomgevingen is de snelheid beperkt tot 30 km/u. 
De borden kunnen zowel vast als dynamisch zijn. 

Slide 22 - Slide

2. Snelheid: bijzondere omgevingen
Voorbehouden wegen
Op het verkeersbord staat aangegeven welke voertuigen zijn toegelaten op deze weg. 
Op deze weg mag je maximaal 30 km/u rijden. 

Slide 23 - Slide

2. Snelheid: bijzondere omgevingen
Verhoogde inrichting 
Op een verhoogde inrichting mag je maximaal 30 km/u rijden.

Schoolstraat 
In een schoolstraat mag je stapvoets rijden. 
Je mag als bestuurder een schoolstraat 
niet inrijden. 

Uitrijden is wel toegelaten. 

Slide 24 - Slide

2. Snelheid: autoweg/autosnelweg
Autoweg 
Geen minimumsnelheid
Binnen de bebouwde kom: 50 km/u
Buiten de bebouwde kom: 70 km/u voor Vlaanderen en Brussel, 90 km/u voor Wallonië 

Autosnelweg 
Minimumsnelheid: 70 km/u
Maximale snelheid: 120 km/u

Slide 25 - Slide

Hoe snel mag je maximaal rijden op deze weg buiten de bebouwde kom in Vlaanderen?
A
90 km/u
B
70 km/u
C
50 km/u

Slide 26 - Quiz

Hoeveel bedraagt de maximumsnelheid op een verhoogde inrichting?
A
Stapvoets
B
20 km/u
C
30 km/u

Slide 27 - Quiz

Wat is de maximumsnelheid in deze straat?
A
20 km/u
B
30 km/u
C
50 km/u

Slide 28 - Quiz

3. Inhalen 
Wat is inhalen? 
Inhalen doe je als je een bestuurder in beweging voorbijrijdt. Je mag nooit de maximale snelheid overschrijden om een ander voertuig in te halen. 

Inhalen moet altijd langs links; behalve wanneer een 
bestuurder links wil afslaan én zich naar links beweegt. 

Slide 29 - Slide

3. Inhalen 
Algemeen inhaalverbod
  • Bij een doorlopende witte streep of een combinatie van een doorlopende en onderbroken streep 

Inhaalverbod, maar fietsers mag je wel inhalen 
  • Kruispunt met voorrang aan rechts of waar je voorrang moet verlenen 
  • Oversteekplaats voor voetgangers 
  • Een verhoogde inrichting 
  • Op een helling of in een bocht 
  • Overweg zonder slagbomen en lichten 


Slide 30 - Slide

3. Inhalen: verkeersbord  
Een inhaalverbod kan aangeduid worden door volgend verkeersbord. 

Voorbij dit bord mag je een voertuig met meer dan twee wielen of een gespan verboden.
Een bromfietsers mag je wel inhalen. 

Slide 31 - Slide

Mag je de bestuurder die hier voor je rijdt, inhalen?
A
Neen
B
Ja

Slide 32 - Quiz

Mag je deze fietser hier inhalen?
A
Neen
B
Ja, als ik 1 meter zijdelingse afstand laat
C
Ja

Slide 33 - Quiz

Mag je hier een bromfiets inhalen?
A
Ja
B
Neen

Slide 34 - Quiz

4. Bevoegde personen: belangrijkste bevelen 
Fluitsignaal 
Een bevoegd agent gebruikt een fluitsignaal om de aandacht te trekken van de bestuurders. Het fluitsignaal is geen bevel op zich. Dit volgt nadien. 

Eén arm recht opgestoken 
Alle bestuurders die zich nog niet op het kruispunt bevinden moeten stoppen. 
Bestuurders op het kruispunt moeten dit zo snel mogelijk vrijmaken. 



Slide 35 - Slide

4. Bevoegde personen: belangrijkste bevelen 
Eén arm of twee armen horizontaal uitgestrekt
Rij je naar de rug of de buik van de agent, dan moet je stoppen. 
Rij je naar de vingertoppen van de agent, dan mag je doorrijden.

Zwaaien met een rood licht 
Zwaait een bevoegd persoon met een rood licht in jouw
richting, dan moet je stoppen. 

Slide 36 - Slide

5. Je auto: verplichte documenten en spullen
Verplichte documenten 
  • Identiteitskaart en (voorlopig) rijbewijs 
  • Gelijkvormigheidsattest 
  • Keuringsbewijs (enkel bij auto's ouder dan 4 jaar ) 
  • Inschrijvingsbewijs 
  • Verzekeringsbewijs 
Verplichte materialen 
  • Gevarendriehoek 
  • Verbandetui 
  • Brandblusser 
  • Fluohesje 

Slide 37 - Slide

5. Je auto: alcoholcontrole
Ademtest
Je blaast in het toestel dat je alcoholniveau gaat meten.  Je mag 1 keer 15 minuten uitstel vragen.  Resultaat: S, A of P
Ademanalyse 
Enkel bij A en P Dit is een nauwkeurige analyse 
Resultaat
S: minder dan 0,22 mg/l -> veilig
A: 0,22 mg/l tot <0,35 mg/i -> 3 uur rijverbod
P: 0,35 mg/l of meer -> 6 uur rijverbod 
Drugtest 
Positief --> 12 uur rijverbod 

Slide 38 - Slide

5. Je auto: technische informatie 
Maximaal toegelaten massa 
3,5 ton
Afmetingen 
Hoogte: 4 meter
Breedte: 2,55 meter

Lading:
Vooraan: niet uitsteken 
Achteraan zonder signalisatie: 1 meter
Achteraan met signalisatie: 3 meter

Slide 39 - Slide

5. Je auto: lichten
Vallen van de avond/aanbreken van de dag of zichtbaarheid minder dan 200 meter
Verplicht gebruiken: dimlichten of grootlichten + rode achterlichten

Achtermistlichten
Verplicht gebruiken:
  • Zichtbaarheid minder dan 100 meter door sneeuw of mist 
  • Altijd bij felle regen 

Voorste mistlichten
Niet verplicht, maar mag je gebruiken bij sneeuw, mist of felle regen

Slide 40 - Slide

6. Stilstaan en parkeren 
Stilstaan 
Stilstaan doe je enkel in deze twee situaties
  • Om een passagier te laten in- of uitstappen 
  • Om een lading in of uit de auto te laden 

In alle andere situaties ben je aan het parkeren: GPS instellen, wachten op een persoon, ...

Slide 41 - Slide

6. Stilstaan en parkeren 
Parkeren toegelaten 
Blauw aanwijzingsbord met letter P, vertelt 
waar je mag parkeren met welk voertuig. 

Slide 42 - Slide

6. Stilstaan en parkeren 
Parkeren en stilstaan verboden 
Dit wordt aangegeven door volgende verkeersborden: 
1 streep: parkeren verboden
2 strepen: parkeren en stilstaan verboden

Verbod geldt op de rijbaan en op de berm. 

Slide 43 - Slide

6. Stilstaan en parkeren 
Beurtelings parkeren
Bord A: Langs de kant van de rijbaan waar het bord staat,
verboden te parkeren van de 1ste tot de 15de van de maand. 


Bord B:  Langs de kant van de rijbaan waar het bord staat,
verboden te parkeren van de 16de  tot de 31ste van de maand. 

Op de laatste dag van elke periode moet men tussen 19u30 
en 20u van kant veranderen.

Slide 44 - Slide

6. Stilstaan en parkeren 
Beurtelings parkeren bebouwde kom
Van de 1ste tot de 15de van de maand moet je parkeren aan 
de kant van de onpare huisnummers. 
Van de 16de  tot de 31ste van de maand moet je parkeren aan

de kant van de pare huisnummers. 

Slide 45 - Slide

6. Stilstaan en parkeren 
Onderborden
A: begin van de reglementering
B: einde van de reglementering
C: reglementering over lange afstand
D: reglementering over korte afstand (afstand vermeld) 

Slide 46 - Slide

6. Stilstaan en parkeren 
Stilstaan en parkeren verboden
  • Op fietspaden 
  • 5 meter van de plaats waar een fietspad eindigt en de fietser op de rijbaan moet rijden 
  • 5 meter voor een oversteekplaats voor voetgangers
  • 5 meter voor een kruispunt 
  • 20 meter voor verkeerslichten 

Slide 47 - Slide

Een onderbord met pijl naar boven toont aan waar de reglementering begint
A
Waar
B
Niet waar

Slide 48 - Quiz

Bij beurtelings parkeren moet je van kant wisselen tussen 18u30 en 20u
A
Waar
B
Niet waar

Slide 49 - Quiz

Waar is dit parkeerverbod geldig?
A
Vanaf 5 meter na het verkeersbord tot het volgende kruispunt
B
Vanaf het verkeersbord tot het einde van de straat
C
Vanaf het verkeersbord tot het volgende kruispunt

Slide 50 - Quiz

Welke voertuigen mogen hier parkeren?
A
Auto's, motorfietsen en minibussen
B
Enkel personenauto's
C
Auto's, lichte vrachtwagens en minibussen

Slide 51 - Quiz