Herhaling PWW4

Proeftoets PWW4
1 / 26
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Proeftoets PWW4

Slide 1 - Slide

Werkwoorden
- werkwoorden op -er
- avoir, être, aller, faire

Slide 2 - Slide

Tegenwoordige tijd: (Présent)    
jouer (spelen)   stam = jou (hele ww -er)

je jou e
tu jou es
il jou e
nous jou ons
vous  jou ez
ils jou ent


Slide 3 - Slide

werkwoorden op - er
Elles ... (danser)
A
danse
B
danses
C
dansez
D
dansent

Slide 4 - Quiz

werkwoorden op - er
Nous ... (parler)
A
parles
B
parlez
C
parlons
D
parle

Slide 5 - Quiz

werkwoorden op - er
Je ... (danser)
A
danse
B
danses
C
dansez
D
dansent

Slide 6 - Quiz

Avoir = hebben
Frans
Nederlands
j'ai
ik heb
tu as
jij hebt
il / elle / on a
hij / zij / men heeft
nous avons
wij hebben
vous avez
u heeft / jullie hebben
ils / elles ont
zij hebben

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Welke vervoegingen horen bij être en welke bij avoir?
être
avoir
suis
avons
êtes
ont
sont
as
avez

Slide 9 - Drag question

  Zet de vervoegingen van het werkwoord 'aller' in de goede volgorde.
aller
il, elle, on va
nous allons
tu vas
vous allez
ils vont
je vais

Slide 10 - Drag question

aller
faire
je fais
je vais
vous faites
vous allez

Slide 11 - Drag question

Bezittelijk voornaamwoord
mon, ma, mes
ton, ta, tes
son, sa, ses
notre, notre, nos
votre, votre, vos
leur, leur, leurs

Slide 12 - Slide

Sleep de juiste 2 bezittelijke voornaamwoorde naar het midden
la cousine
ma 
mon
mes
ton
ta
tes

Slide 13 - Drag question

Sleep de juiste 2 bezittelijke voornaamwoorden naar het midden
un frère
sa
son
ses
votre
vos

Slide 14 - Drag question

Sleep de juiste 2 bezittelijke voornaamwoorde naar het midden
Les poissons  rouges
notre
nos
leur
leurs

Slide 15 - Drag question

Sleep de juiste 2 bezittelijke voornaamwoorden naar het midden
les livres 
ma 
mon
mes
ton
ta
tes

Slide 16 - Drag question

Révision 
Het bijvoeglijk naamwoord kan 4 vormen hebben.
Mannelijk
Vrouwelijk
Enkelvoud
Meervoud
grande
grandes
grand
grands

Slide 17 - Drag question

Wat is hier de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?
A
Elle porte des chaussures verts.
B
Elle porte des chaussures vert.
C
Elle porte des chaussures verte.
D
Elle portedles chaussures vertes.

Slide 18 - Quiz

wat is de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?
A
Monique est très heureux
B
Monique est très heureus
C
Monique est très heureuse
D
Monique est très heureuxe

Slide 19 - Quiz

Wat is de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?
A
Il porte un jean noire.
B
Il porte un jean noir.
C
Il porte un jean noirs.
D
Il porte un jean noires.

Slide 20 - Quiz

Wat is de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord?
A
Elle porte une robe bleue.
B
Elle porte une robe bleus.
C
Elle porte une robe bleu.
D
Elle porte une robe bleues.

Slide 21 - Quiz

Vocabulaire

Slide 22 - Slide

Vertaal:
Il mélange le sucre, la farine et le lait.

Slide 23 - Open question

Vertaal:
Elle met le gâteau aux pommes au four.

Slide 24 - Open question

Vertaal:
Je voudrais commander une soupe à l'oignon.

Slide 25 - Open question

Slide 26 - Slide