Quiz over Woorden en Betekenissen

Wat is de betekenis van uitgeven?

A

Geld betalen

B

Geld ontvangen.

1 / 20
next
Slide 1: Quiz
New lesson editorNederlandsSecondary Education

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

Wat is de betekenis van uitgeven?

A

Geld betalen

B

Geld ontvangen.

Wat is een synoniem voor waarde?

A

betekenis

B

belangstelling

Wat is de betekenis van automatisch?

A

Met handmatige invoer

B

Vanzelf, zonder opdracht

Wat betekent afstemmen?

A

Zorgen dat alles goed past

B

Iets achterlaten voor later

Wat betekent waarschijnlijk?

A

Iets dat niet waar kan zijn, maar je denkt het toch.

B

iets waarvan de kans groot is, dat het zo is.

Wat is de betekenis van verantwoordelijkheid?

A

Zorg dat iemand anders iet helemaal goed en netjes doet.

B

Zorg dat iets helemaal goed verloopt.

Wat betekent beslissen?

A

Wachten op een antwoord

B

Bedenken wat er gebeurt

Wat is de betekenis van besteden?

A

Geld ontvangen van anderen

B

Geld uitgeven of betalen

Wat betekent contant?

A

Geld in de hand houden

B

Betaling via internet

Wat is de betekenis van geleidelijk?

A

In één keer heel snel

B

Steeds meer, beetje bij beetje

Wat betekent inkomsten?

A

Geld dat je ontvangt

B

Geld dat je uitgeeft

Wat is de betekenis van interesse?

A

Onverschilligheid voor iets

B

Belangstelling voor iets

Wat is de betekenis van periode?

A

Een specifieke gebeurtenis

B

Bepaalde tijd

Betekenis: op wisselende momenten.

Welk woord hoort hierbij?

A

onregelmatig

B

regelmatig

Welk woord hoort hierbij?

Geld van de ene op de andere bankrekening zetten.

A

overmaken

B

sparen

Wat betekent overzien?

A

Details negeren

B

In totaal bekijken

Wat is goed? Welke namen schrijf je met een hoofdletter?

A

Namen van mensen en de dagen van de week

B

Namen van landen, mensen en de maanden

C

Namen van mensen, seizoenen en dagen

D

namen van mensen en landen

Waar moet de komma?

Juf kunt u de vraag herhalen?

A

Na het woord "juf"

B

Na het woord '"kunt"

C

Na het woord "u"

D

Na het woord "vraag"

Waar moet de komma?

Ik heb geen huiswerk gemaakt want ik was erg lui.

A

Na het woord "huiswerk"

B

Na het woord '"gemaakt"

C

Na het woord "ik"

D

Na het woord "want"

Waar moet de komma?

Toen ik mijn CP maakte kreeg ik een hoestbui.

A

Na het woord "toen"

B

Na het woord '"CP"

C

Na het woord "maakte"

D

Na het woord "kreeg"