Les 3.4 Kookpunt en smeltpunt

Les 3.4 Kookpunt en smeltpunt
1 / 30
next
Slide 1: Slide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Les 3.4 Kookpunt en smeltpunt

Slide 1 - Slide

Planning
  • Bespreken practicum
  • Nakijken 2 t/m 8 vanaf blz 97
  • 3.4 Kookpunt en smeltpunt
  • Opgaven maken

Slide 2 - Slide

Bespreken practicum

Slide 3 - Slide

Nakijken: 2 t/m 8
Vanaf blz 97

Slide 4 - Slide

2
  • a) Condenseren (gas > vloeibaar)
  • b) Verdampen (vloeibaar > gas)
  • c) Rijpen (gas > vast)
  • d) Vervluchtigen (vast > gas)
  • e) Condenseren (gas > vloeibaar)

Slide 5 - Slide

3
  • a) Van vloeibaar naar vast
  • b) Bevriezen gebruiken we bij water, stollen bij alle andere stoffen. 
  • c) het kaarsvet stolt.

Slide 6 - Slide

4
  • a) Smelten (vast > vloeibaar)
  • b) Vervluchtigen (vast > gas)

Slide 7 - Slide

5
  • Het ijs in het wasgoed is voor een deel vervluchtigd (van vast naar gas)

Slide 8 - Slide

6
  • a) Verdampen (vloeibaar > gas)
  • b) Condenseren (gas > vloeibaar)
  • c) Bevriezen (vloeibaar > vast)
  • d) Smelten (vast > vloeibaar)
  • e) Verdampen (vloeibaar > gas)
  • f) Verdampen (vloeibaar > gas)
  • g) Rijpen (gas > vast)

Slide 9 - Slide

7
  • a) De lucht buiten het flesje koelt af en wordt vloeibaar. 
  • b) Condenseren (gas > vloeibaar)

Slide 10 - Slide

8
  • a) De temperatuur buiten is lager dan binnen. 
  • b) De druppeltjes komen uit het waterdamp uit de lucht. 
  • c) Condenseren (gas > vloeibaar)

Slide 11 - Slide

leerdoelen 3.4 Kookpunt en smeltpunt
  • Je kunt beschrijven wat er gebeurt als water kookt.
  • Je kunt uitleggen wat het kookpunt en smeltpunt (vriespunt/stolpunt) van een stof zijn.
  • Je kunt uitleggen waarom het kookpunt en smeltpunt stofeigenschappen zijn.
  • Je kunt uitleggen hoe je het vriespunt of smeltpunt van water kunt verlagen.

Slide 12 - Slide

Het kookpunt
  • Koken: wanneer het water niet alleen verdampt aan het water oppervlak, maar ook overal IN de vloeistof. (je ziet gasbellen)
  • Kookpunt: de temperatuur waarbij een vloeistof begint te koken. 
  • Kookpunt van water: 100°C
  • Tijdens het koken van water blijft de temperatuur 100°C


Slide 13 - Slide

Smeltpunt/ vriespunt
  • Het smeltpunt/vriespunt van water is 0°C

  • Vb. in vriezer doen
  • Vb. uit vriezer halen

  • Tijdens het vriezen/smelten van water blijft de temperatuur 0°C


Slide 14 - Slide

Celsiusschaal
0 °C
50 °C
100°C
Smeltpunt
Kookpunt
Vriespunt

Slide 15 - Drag question

Elke stof heeft zijn EIGEN smeltpunt en kookpunt
Kookpunt en smeltpunt zijn belangrijke stofeigenschappen

Slide 16 - Slide

Het smeltpunt van glycerol is 20 graden Celsius en het kookpunt is 290 graden Celsius. Welke fase heeft glycerol bij 10 graden Celsius?
A
vast
B
vloeibaar
C
gasvormig

Slide 17 - Quiz

Het smeltpunt van propaan is -188 graden Celsius en het kookpunt is -42 graden Celsius. Welke fase heeft propaan bij -15 graden Celsius?
A
vast
B
vloeibaar
C
gasvormig

Slide 18 - Quiz

Het smeltpunt van ijzer is 1559 graden Celsius en het kookpunt is 2800 graden Celsius. Welke fase heeft ijzer bij 1600 graden Celsius?
A
vast
B
vloeibaar
C
gasvormig

Slide 19 - Quiz

In welke fase bevindt kwik zich als de temperatuur    –60°C is? De fase is :  .................. 
                               smeltpunt                    kookpunt


vast
vloeibaar
gas

Slide 20 - Drag question

Vriespunt verlagen
  • Je kunt het vriespunt verlagen door er een geschikte stof aan het water toe te voegen.
  • Vb. koelwater van automotor met antivries
  • Vb. zout voor om wegen te ontdoen van ijs en sneeuw. (-8°C)

Slide 21 - Slide

Als het vriest, gaan strooiwagens op weg om wegen en fietspaden te bestrooien.

Wat strooien ze en waarom doen ze dat?
A
Zand om het vriespunt van water te verhogen.
B
Zand om het vriespunt van water te verlagen
C
Zout om het vriespunt van water te verhogen
D
Zout om het vriespunt van water te verlagen

Slide 22 - Quiz

Maken 1, 2, 3, 5 t/m 8
vanaf blz 101
timer
5:00

Slide 23 - Slide

1
  • a) 0°C , vriespunt, smeltpunt
  • b) lagere
  • c) 100°C, kookpunt

Slide 24 - Slide

2
  • a) Beide situaties: fase-overgang van vloeibaar naar gas.
  • b) Bij verdampen vindt de fase-overgang alleen plaats aan het oppervlak van de vloeistof. Bij koken zowel aan het oppervlak als in de vloeistof zelf.
  • c) Als water kookt, ontstaan er dampbellen onder het vloeistofoppervlak. Bij verdampen ontstaan er géén dampbellen.

Slide 25 - Slide

3
  • a) 100°C
  • b) 100°C
  • c) Bij beiden tegelijk, want de temperatuur is bij beiden  100°C.
  • d) Zo verbruik je minder gas of elektriciteit en zijn je energiekosten lager.

Slide 26 - Slide

5

Slide 27 - Slide

6
  • a) 0°C
  • b) -39°C
  • c) -219°C.
  • d) -114°C.

Slide 28 - Slide

7
  • a) Het vriespunt wordt lager.
  • b) Dat ligt tussen −0,5 °C en −1 °C.
  • c) Die zijn lager dan −1,5 °C.
  • d) In beker 5, want daar zit meer zout in dan in beker 4.
  • e) Het zout verlaagt het vriespunt van water. Daardoor ontstaat er minder snel ijs op de weg.

Slide 29 - Slide

8
  • a) Alcohol is geschikt, want het is vloeibaar bij −50 °C.
  • b) Kwik is niet geschikt want het bevriest bij −39 °C. Temperaturen beneden −39 °C kun je niet meer meten
  • c) Stikstof is niet geschikt, omdat het bij temperaturen boven −196 °C geen vloeistof is, maar een gas.

Slide 30 - Slide