1. De jongens zingen mooi voor vader en moeder. Pulchre.
2. Plotseling naderden de bondgenoten het legerkamp. Subito.
3. De overigen vochten dapper met de Romeinen. Fortiter.
4. De vrouwen konden nauwelijks vluchten. Vix.
5. De consuls zeiden dat Valerius zeer goed had gevochten. Optime.