Komma1) Bij een opsomming (Ik heb nodig: ijs, aardbeien, melk en suiker.)
2) Voor (de meeste) voegwoorden (Ik ga niet naar school, want ik ben ziek.)
Punt
1) Aan het eind van een normale zin (Ik loop naar school.)
Vraagteken
1) Aan het eind van een vraag. (Hoe was de gymles?)