Präpositionen mit dem 4. Fall




 Präpositionen mit dem 4. Fall


Voorzetsels met de 4e naamval


1 / 17
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson




 Präpositionen mit dem 4. Fall


Voorzetsels met de 4e naamval


Slide 1 - Slide

Wer weiß noch was ein "Akkusativ" ist?

Slide 2 - Open question

Zinsontleding 
Het kind geeft de lieve vrouw een bos bloemen.

gezegde? =  alle werkwoorden in een zin:  → geeft
Wie/wat geeft? = het onderwerp:              →  het kind  
Wat/wie geeft het kind? = het lijdend voorwerp: → een bos bloemen  
Aan wie geeft het kind een bos bloemen?  = het meewerkend voorwerp:  → de lieve vrouw  
In het Duits staat ieder zinsdeel in een naamval. 

Slide 3 - Slide

Zinsontleding 
Nu jij: Ontleed de onderstaande zin.

Ich backe eine Torte.
gezegde:
onderwerp:
Lijdend voorwerp:
meewerkend voorwerp:



Slide 4 - Slide

Zinsontleding 
Ich backe eine Torte.

gezegde? = backe
Wie/wat backt? Ich = het onderwerp
Wat/wie backe ich?  eine Torte = het lijdend voorwerp


Slide 5 - Slide

   Lernziele:


- ihr könnt mir die Präpositionen mit dem 4. Fall nennen.

- ihr könnt mir die Bedeutung der Präpositionen mit dem 4. Fall nennen.

- ihr könnt die Präpositionen mit dem 4. Fall anwenden in Sätze.


Slide 6 - Slide

Schrijf alle voorzetsels met de 4e naamval

Slide 7 - Mind map

Voorzetsels met de 4e nv
Schrijf in je schrift de voorzetsels met de 4e naamval
+
de vertaling in het Nederlands

Slide 8 - Slide

Voorzetsels met de 4e nv
- durch = door
- für = voor
- ohne = zonder 
- um = om
- gegen = tegen
- bis = tot

Slide 9 - Slide

Notiere noch eimal die Präpositionen mit dem 4. Fall

Slide 10 - Open question

durch
für
ohne
um
gegen
bis
door
tegen
zonder
voor
om
tot

Slide 11 - Drag question

 Trage den richtigen Fall ein. ( Vul de juiste naamval in).

 

Pak je schrift en maak de onderstaande oefening:


1.    Das Auto fährt gerade um d____________ Ecke. 


2. D___________ Auto (o) steht gegen d_____________ Baum (m).

  


Slide 12 - Slide

Slide 13 - Link

                                   




                               Tschüss

Slide 14 - Slide

Hausaufgaben


- Maak nu Lektion 2.1 Übubf 7 a un b



Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide