Het kind geeft de lieve vrouw een bos bloemen.
gezegde? = alle werkwoorden in een zin: → geeft
Wie/wat geeft? = het onderwerp: → het kind
Wat/wie geeft het kind? = het lijdend voorwerp: → een bos bloemen
Aan wie geeft het kind een bos bloemen? = het meewerkend voorwerp: → de lieve vrouw
In het Duits staat ieder zinsdeel in een naamval.