This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Lesdoel van vandaag:
We gaan oefenen met zinnen in de voltooide tijd!
Welke regels van de voltooide tijd weet je nog?
Slide 1 - Slide
Wat is de voltooide tijd?
Voltooid betekent klaar. De handeling is afgelopen.
De voltooide tijd bestaat uit twee delen:
Het eerste werkwoord is meestal een vorm van hebbenen af en toe zijn. Dit noemen we een hulpwerkwoord.
Het tweede werkwoord is het voltooid deelwoord. Dit zijn vormen als gewoond, gewerkt, gegeten, geslaagd en gekregen.
Slide 2 - Slide
Voorbeelden
Ik heb tot 17:00 uur gewerkt.
Mijn zusje is gisteren voor haar examen geslaagd.
Hij heeft gisteren lekker gefietst.
Wij hebben in Rotterdam gewoond.
Zij zijn naar Nederland gekomen.
Slide 3 - Slide
Wanneer gebruik je een t of een d?
Kijk naar het hele werkwoord. Haal -en weg en dan heb je de ik-vorm.
Kijk naar de laatste letter. Staat de laatste letter in de medeklinkers van SoFTKeTCHuP, dan krijgt de voltooide tijd een t. Staat de laatste letter daar niet in, dan krijgt de voltooide tijd een d.
Slide 4 - Slide
Een aantal voorbeelden:
Werken
ik-vorm: werk
Staat de k in SoFTKeTCHuP? --> gewerkt
Wonen
ik-vorm: woon
Staat de n in SoFTKeTCHuP? --> gewoond
Slide 5 - Slide
poetsen
luisteren
Voltooid deelwoord met t
(SoFTKeTCHuP)
Voltooid deelwoord met d
groeten
rennen
horen
vragen
wandelen
maken
fietsen
pakken
tekenen
leren
Slide 6 - Drag question
Wat is het voltooid deelwoord van luisteren?
Slide 7 - Open question
Wat is het voltooid deelwoord van horen?
Slide 8 - Open question
Wat is het voltooid deelwoord van ruilen?
Slide 9 - Open question
Wat is het voltooid deelwoord van vieren?
Slide 10 - Open question
Wat is het voltooid deelwoord van wandelen.
Slide 11 - Open question
Wat is het voltooid deelwoord van koken.
Slide 12 - Open question
Het hulpwerkwoord zijn
* Meestal gebruik je het werkwoordhebben . Maar soms gebruiken we het werkwoord zijn.
Ikben .....
Ik ben met mijn studie begonnen.
Hij is dit jaar gegroeid.
Wij zijn gisteren naar de film geweest.
Slide 13 - Slide
Wanneer gebruik je zijn?
* Bij werkwoorden die een verandering aangeven zoals: