TC A2 - Voltooide Tijd

Lesdoel van vandaag:

We gaan oefenen met zinnen in de voltooide tijd!

Welke regels van de voltooide tijd weet je nog?
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo tLeerjaar 1,2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Lesdoel van vandaag:

We gaan oefenen met zinnen in de voltooide tijd!

Welke regels van de voltooide tijd weet je nog?

Slide 1 - Slide

Wat is de voltooide tijd?
  • Voltooid betekent klaar. De handeling is afgelopen.
  • De voltooide tijd bestaat uit twee delen:
  1. Het eerste werkwoord is meestal een vorm van hebben en af en toe zijn. Dit noemen we een hulpwerkwoord.
  2. Het tweede werkwoord is het voltooid deelwoord. Dit zijn vormen als gewoond, gewerkt, gegeten, geslaagd en gekregen. 

Slide 2 - Slide

Voorbeelden
Ik heb tot 17:00 uur gewerkt.
Mijn zusje is gisteren voor haar examen geslaagd
Hij heeft gisteren lekker gefietst
Wij hebben in Rotterdam gewoond.
Zij  zijn naar Nederland gekomen. 

Slide 3 - Slide

Wanneer gebruik je een t of een d?
  1. Kijk naar het hele werkwoord. Haal -en weg en dan heb je de ik-vorm.
  2. Kijk naar de laatste letter. Staat de laatste letter in de medeklinkers van SoFTKeTCHuP, dan krijgt de voltooide tijd een t. Staat de laatste letter daar niet in, dan krijgt de voltooide tijd een d. 

Slide 4 - Slide

Een aantal voorbeelden:
Werken
ik-vorm: werk
Staat de k in SoFTKeTCHuP? --> gewerkt

Wonen
ik-vorm: woon
Staat de n in SoFTKeTCHuP? --> gewoond

Slide 5 - Slide

poetsen
luisteren
Voltooid deelwoord met t
(SoFTKeTCHuP)
Voltooid deelwoord met d
groeten
rennen
horen
vragen
wandelen
maken
fietsen
pakken
tekenen
leren

Slide 6 - Drag question

Wat is het voltooid deelwoord van luisteren?

Slide 7 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van horen?

Slide 8 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van ruilen?

Slide 9 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van vieren?

Slide 10 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van wandelen.

Slide 11 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van koken.

Slide 12 - Open question

Het hulpwerkwoord zijn
* Meestal gebruik je het werkwoord hebben . Maar soms gebruiken we het werkwoord zijn.
Ik ben .....
                      Ik ben met mijn studie begonnen.
                      Hij is dit jaar gegroeid.
                      Wij zijn gisteren naar de film geweest.

Slide 13 - Slide

Wanneer gebruik je zijn?
* Bij werkwoorden die een verandering aangeven zoals:
groeien, veranderen, sterven, verhuizen.
                   We zijn gegroeid.                 Hij is veranderd.
                    Zij is gestorven.                   Wij zijn verhuisd.

* Als er naar in de zin staat:
                               Wij zijn naar Haarlem gefietst.

Slide 14 - Slide

Ik .... gisteren naar de dokter geweest.
A
heb
B
ben

Slide 15 - Quiz

De cursisten .... koffie gedronken.
A
hebben
B
zijn

Slide 16 - Quiz

De les .... om 9 uur begonnen.
A
heeft
B
is

Slide 17 - Quiz

Martha .... vandaag naar school gegaan.
A
heeft
B
is

Slide 18 - Quiz

Ali .... een boek uit de kast gepakt.
A
heeft
B
is

Slide 19 - Quiz

Ik .... met mijn buurman gepraat.
A
heb
B
ben

Slide 20 - Quiz

Wij .... gisteren thuis gebleven.
A
hebben
B
zijn

Slide 21 - Quiz

Wij ..... over ons werk ..... (praten)

Slide 22 - Open question

Schrijf het werkwoord in de voltooide tijd

Ik ..... zaterdag de hele dag ..... (werken)

Slide 23 - Open question

Wat ..... Simon .....? (zeggen)

Slide 24 - Open question

Heb je de voltooide tijd geleerd?
😒🙁😐🙂😃

Slide 25 - Poll

Slide 26 - Slide