Internationale conflicten (Maatschappijwetenschappen vwo), les 1: Uitleg

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Internationale conflicten

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over maatschappelijke en politieke conflicten, de paradigma's (functionalisme, conflictparadigma met Marx en Huntington, sociaalconstructivisme, rationele actor), internationale conflicten en conflictoplossing, samenwerking, harmonie- en conflictmodel en het veiligheidsdilemma, voor het vwo-examen maatschappijwetenschappen.

Items in this lesson

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Internationale conflicten

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C3 (11.1-11.4). Image credit: U.S. Department of State / Wikimedia Commons, publiek domein

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Wat ga je kunnen?

Ik kan conflicten en samenwerking tussen staten verklaren vanuit paradigma's, en het veiligheidsdilemma uitleggen.

This item has no instructions

Welke woorden komen bij je op bij internationaal conflict?

Laat leerlingen woorden inbrengen. Verwachte woorden: oorlog, sancties, onderhandelen, VN, NAVO, wapens, macht, grenzen, vertrouwen, samenwerking. Groepeer op het bord: oorzaken, vormen, oplossingen en samenwerking. Dat zijn de blokken van deze les. Blok 1 gaat over conflicten en paradigma's, blok 2 over internationale conflicten en samenwerking, blok 3 over politieke samenwerking en het veiligheidsdilemma. Houd actuele voorbeelden neutraal en feitelijk.

Vergadering van de VN-Veiligheidsraad in New York, 23 september 2016

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Wat is een conflict?

  • Een conflict: individuen, groepen en/of staten werken elkaar tegen om de eigen doelen te bereiken.

  • Het komt voor op micro-, meso- en macroniveau: personen, groepen en staten.

  • Een conflict is latent (sluimerend) of manifest (open), met zichtbaar conflictgedrag van de actoren.

  • Vaak spelen machtsverschillen tussen individuen, bevolkingsgroepen of landen een rol.

Syllabus 11.1: een conflict is een situatie waarin individuen, groepen en/of staten elkaar tegenwerken om de eigen doelen te bereiken. Conflicten komen voor op micro-, meso- en macroniveau en kunnen latent of manifest zijn; actoren (personen of staten) laten conflictgedrag zien. Bij maatschappelijke of sociale conflicten spelen vaak machtsverschillen mee. Veelgemaakte fout: denken dat een conflict altijd gewelddadig of zichtbaar is. Een latent conflict is er wel, maar nog niet openlijk. Foto: de Veiligheidsraad, een plek waar staten hun belangen tegenover elkaar zetten. Vraag bij de foto: welk niveau is dit, en wie werkt wie tegen? Image credit: U.S. Department of State / Wikimedia Commons, publiek domein

Karl Marx (1818-1883), foto uit 1875

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Functionalisme en conflictparadigma

  • Functionalisme: de samenleving is een organisme; elk deel draagt bij aan orde, harmonie en groei.

  • Een conflict is dan een uitzondering die de orde bedreigt en zoveel mogelijk vermeden moet worden.

  • Conflictparadigma: de samenleving is een arena waarin groepen strijden om macht, geld, status en invloed.

  • Conflicten zijn niet per definitie slecht: ze zijn vaak de motor van maatschappelijke verandering.

Syllabus 11.1: functionalisme ziet conflicten als pathologisch en niet normaal; ze komen altijd wel voor maar bedreigen de maatschappelijke orde. Het conflictparadigma kijkt juist naar de strijd om macht, geld, overtuiging, status en invloed en ziet conflicten als motor van verandering. Veelgemaakte fout: functionalisme en conflictparadigma omdraaien, of denken dat het conflictparadigma conflicten wil. Het beschrijft ze, het keurt ze niet goed. Foto: Marx, de eerste stroming van het conflictparadigma (volgende dia). Image credit: John Jabez Edwin Mayall / Wikimedia Commons, publiek domein

Samuel P. Huntington op het World Economic Forum, 2004

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Marx, Huntington en andere paradigma's

  • Marx: ongelijk bezit tussen de bezittende en bezitloze klasse leidt tot een onontkoombaar conflict.

  • Huntington: conflicten komen voort uit sociale en culturele verschillen, zoals godsdienst of etniciteit.

  • Sociaalconstructivisme: kijkt naar de betekenis die actoren aan gedragingen in conflict hechten.

  • Rationele actor: kijkt naar hoe partijen met tegengestelde belangen samenwerken en oplossingen vinden.

Syllabus 11.1: binnen het conflictparadigma twee stromingen. Marx: ongelijke materiële verschillen tussen bezittende en bezitloze klasse leiden tot een onontkoombaar conflict en het omverwerpen van het systeem. Huntington: maatschappelijke conflicten kunnen voortkomen uit uiteenlopende sociale en culturele verschillen; veel conflicten hebben een godsdienstige, etnische en/of politieke achtergrond of draaien om belangentegenstellingen. Sociaalconstructivisme: betekenis die actoren aan gedragingen hechten. Rationele actor: hoe personen of groepen met tegengestelde doelen omgaan, samenwerken en samen tot een oplossing komen; conflicten kunnen ook een vernieuwende functie hebben. Politieke conflicten ontstaan uit botsende ideeën over de inrichting van de samenleving of wereldorde, vaak over economie of ongelijkheid in geld of macht, maar ook over privacy of euthanasie. Veelgemaakte fout: Marx koppelen aan cultuur en Huntington aan bezit. Examenvaardigheid: een conflict verklaren vanuit een paradigma. Image credit: Peter Lauth / World Economic Forum / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

Twee staten blokkeren elkaars handel om eigen doelen te halen. Welk niveau?

A

Microniveau

B

Mesoniveau

C

Macroniveau

D

Individueel niveau

Staten tegenover elkaar is macroniveau. Micro is tussen personen, meso tussen groepen en organisaties. Verwachte fout: mesoniveau, omdat het om een groep landen gaat.

Vul in

Volgens Marx leiden ongelijke bezitsverhoudingen tot een onontkoombaar conflict, volgens Huntington spelen sociale en culturele verschillen een rol.

Marx
Huntington
manifest
interdependentie

Marx: bezit en klasse. Huntington: sociale en culturele verschillen. Verwachte fout: de twee omdraaien.

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Internationale conflicten en hun oorzaken

  • Oorzaken: etnisch, religieus, ideologisch, territoriaal, politiek, economisch of ecologisch.

  • Conflicten krijgen vaak een stempel (etnisch of religieus), terwijl er ook politieke of economische oorzaken zijn.

  • De laatste decennia braken veel meer intrastatelijke dan interstatelijke gewelddadige conflicten uit.

  • Daarbij erkent vaak een partij de overheid niet of is er geen overheid met geweldsmonopolie.

  • Door globalisering zijn ze internationaal: rebellen zoeken steun, wapens en schuilplaatsen in het buitenland.

Syllabus 11.2: internationale conflicten kunnen ontstaan om etnische, religieuze, ideologische, territoriale, politieke, economische of ecologische redenen. Vaak krijgt een conflict (van de partijen en van de buitenwereld) een stempel, terwijl er ook andere oorzaken aan ten grondslag liggen. Intrastatelijk is een conflict binnen een staat, interstatelijk tussen staten. Oppositie- en rebellenbewegingen zijn vaak afhankelijk van het buitenland. Door interdependentie hebben deze conflicten gevolgen voor de rest van de wereld, zoals migratiestromen of de dreiging van terrorisme. Veelgemaakte fout: het stempel van een conflict als enige oorzaak zien. Houd voorbeelden neutraal en feitelijk en laat leerlingen zelf een voorbeeld kiezen.

Een zaal in het Vredespaleis in Den Haag, zetel van het Internationaal Gerechtshof

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Conflictoplossing tussen staten

  • Conflicten tussen staten zijn meestal niet gewelddadig en lossen op via overleg en onderhandelingen.

  • Andere middelen: diplomatieke druk, het bespelen van de internationale publieke opinie en soms sancties.

  • Laatste instantie: een internationale rechtbank (zoals het Internationaal Gerechtshof) of gewapende strijd.

  • Bij intrastatelijke conflicten volgen eerst overleg en sancties, daarna kunnen staten interveniëren.

Syllabus 11.2: conflicten tussen staten over bijvoorbeeld handel, grenzen of het beleid van internationale organisaties worden doorgaans opgelost door overleg en onderhandelingen. Om eigenbelangen te behartigen gebruiken staten ook diplomatieke druk, de internationale publieke opinie en soms economische sancties. In laatste instantie kan een zaak worden voorgelegd aan een internationale rechtbank (Internationaal Gerechtshof, Europese Hof van Justitie) of ontstaat gewapende strijd. Bij intrastatelijke conflicten zetten internationale organisaties eerst andere middelen in (onderhandelingen, waarnemers, economische sancties) voordat de internationale gemeenschap interveniert. Veelgemaakte fout: denken dat staten conflicten meteen met geweld beslechten. Foto: het Vredespaleis, zetel van het Internationaal Gerechtshof. Vraag: welk middel zou jij als eerste inzetten en waarom? Image credit: Onbekende maker / Wikimedia Commons, publiek domein

Overleg aan een ronde tafel tijdens de G20-top in Brisbane, 2014

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Samenwerking tussen staten

  • Samenwerking: individuen, groepen en/of staten stemmen hun handelen af voor een gemeenschappelijk doel.

  • Voorwaarden: onderling vertrouwen, wederzijdse acceptatie en compromisbereidheid.

  • Partijen leveren meestal een deel van hun autonomie in en gaan met elkaar aan tafel.

  • Het is geven en nemen, maar niet iedereen levert evenveel in: interdependentie kan asymmetrisch zijn.

Syllabus 11.3: samenwerking is het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel, door elkaars sterke punten of de macht van het getal te gebruiken. Voorwaarden: onderling vertrouwen, wederzijdse acceptatie, compromisbereidheid. Deelnemers leveren meestal een deel van hun autonomie in, gaan aan tafel en maken heldere afspraken. Machtsverschillen spelen mee: men heeft elkaar nodig, maar de interdependentie kan asymmetrisch zijn. Het bestaan en afbouwen van wantrouwen speelt voortdurend een rol in de nationale en internationale politiek. Veelgemaakte fout: denken dat samenwerking betekent dat iedereen evenveel inlevert. Foto: overleg tijdens de G20-top, 2014. Image credit: Aman Sharma / Europese Unie / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

Een conflict heet 'religieus', maar draait ook om grondstoffen. Wat toont dit?

A

Het conflict is eigenlijk latent

B

Religie speelt nooit een rol in conflicten

C

Het stempel is niet per se de enige oorzaak

D

Het conflict is vanzelf interstatelijk

Syllabus 11.2: conflicten krijgen vaak een stempel terwijl er ook politieke of economische oorzaken zijn. Verwachte fout: het stempel als onwaar zien. Religie kan wel een rol spelen, maar is meestal niet de enige oorzaak.

Wat is een voorwaarde voor effectieve samenwerking tussen staten?

A

Onderling vertrouwen en compromisbereidheid

B

Gelijke macht van alle deelnemende staten

C

Het behouden van volledige autonomie

D

Een gedeelde godsdienst of etniciteit

Syllabus 11.3: vertrouwen, wederzijdse acceptatie, compromisbereidheid. Staten leveren juist autonomie in en machtsverschillen mogen bestaan. Verwachte fout: gelijke macht kiezen.

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Politieke samenwerking en conflict

  • Politieke samenwerking is vrijwillig (gedeelde waarden), uit gedeelde belangen of door dwang (machtsuitoefening).

  • Samenwerking is het middel bij uitstek om conflicten op te lossen en te voorkomen.

  • Harmoniemodel: overlegcultuur en consensus, een breed gedragen overeenstemming.

  • Conflictmodel: actiegroepen werpen eigen doelen in de strijd, met media, stakingen of burgerlijke ongehoorzaamheid.

Syllabus 11.3: politieke partijen werken samen vrijwillig, door gedeelde belangen of door dwang; politici werken samen met maatschappelijke groepen. Samenwerking is het middel bij uitstek om conflicten op te lossen en te voorkomen. Het harmoniemodel (in Nederland de afgelopen decennia dominant) legt de nadruk op overlegcultuur en consensus. In het conflictmodel zetten actiegroepen en organisaties strijdmiddelen in en proberen via de media politiek en bevolking te overtuigen; lukt een compromis niet na bemiddeling, dan volgen zwaardere middelen. Veelgemaakte fout: denken dat het ene model beter is dan het andere. Ze sluiten elkaar niet uit en partijen wisselen af.

Amerikaanse luchtfoto van een raketlocatie bij San Cristóbal, Cuba, 1 november 1962

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Het veiligheidsdilemma

  • Realisme: in een anarchistische wereld is niemand te vertrouwen, dus elke staat bewapent zich zelf.

  • Buurstaten voelen zich bedreigd en bewapenen zich ook, waardoor anderen zich weer onveiliger voelen.

  • Veiligheidsdilemma: streven naar veiligheid leidt tot meer onveiligheid, al is elke stap rationeel.

  • Oplossing: overleg en onderhandelingen, maar dat vraagt voldoende onderling vertrouwen.

Syllabus 11.4: het veiligheidsdilemma is vooral geformuleerd door onderzoekers van de realistische theorie. In een anarchistische wereld waarin niemand te vertrouwen is, moet elke staat voor zijn eigen veiligheid zorgen en bewapent zich. Buurstaten ervaren dat als bedreiging en bewapenen zich ook; op het eind van een bewapeningsronde is het gevoel van veiligheid niet toegenomen. Rationeel voor de afzonderlijke actor, ongewenst voor alle actoren samen. Vergelijkbaar met het prisoner's dilemma (individuele en korte termijnbelangen tegenover gemeenschappelijke en lange termijnbelangen). Het dilemma zou kunnen worden opgelost door overleg en onderhandelingen, maar dan moeten staten elkaar voldoende vertrouwen. Veelgemaakte fout: denken dat een staat die zich bewapent altijd agressief is. Het dilemma gaat om angst en onzekerheid over de ander. Foto: Amerikaanse luchtfoto van een raketlocatie op Cuba, 1962, tijdens de Cubacrisis tussen de VS en de Sovjet-Unie. Image credit: Amerikaanse overheid, National Archives / Wikimedia Commons, publiek domein

Leiders van NAVO-lidstaten bij de top in Washington, 9 juli 2024

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Collectieve actie en kernwapens

  • Bij veel actoren spelen free-riders: zij laten de inspanning voor veiligheid aan anderen over.

  • Een oppermachtige staat kan inspanningen coördineren, zoals de VS na de Tweede Wereldoorlog of in de NAVO.

  • Samenwerken is vooral moeilijk als er geen duidelijke leider is.

  • Kanttekening: volgens sommigen geven kernwapens juist veiligheid, want een aanval levert niets op.

Syllabus 11.4: bij veel actoren (het internationale statensysteem bijna per definitie) speelt het probleem van collectieve actie: het is rationeel om de inspanningen voor collectieve goederen zoals internationale veiligheid door anderen te laten verrichten (free-riders), bijvoorbeeld bij het optreden tegen een potentiële agressor. Een oppermachtige staat die het handelen coördineert kan dit oplossen, zoals de VS na de Tweede Wereldoorlog of in de NAVO. Kanttekening: een steeds verdere bewapening kan grote mogendheden in staat stellen een tegenstander te vernietigen, ook als die eerst aanvalt; volgens sommigen leidt zware bewapening dan wel tot meer veiligheid. Presenteer dit als een visie, niet als feit. Veelgemaakte fout: het free-riderprobleem verwarren met het veiligheidsdilemma. Het eerste gaat over te weinig inzet voor een gemeenschappelijk goed, het tweede over bewapeningsspiralen. Foto: NAVO-top, Washington 2024. Image credit: The White House / Wikimedia Commons, publiek domein

Waarom geeft wapenwedloop onveiligheid?

Goed antwoord: elke staat bewapent zich uit angst voor de ander, die zich daardoor bedreigd voelt en ook bewapent, zodat het veiligheidsgevoel niet toeneemt (veiligheidsdilemma). Verwachte fout: alleen zeggen dat wapens gevaarlijk zijn.

Vul in

In het harmoniemodel draait het om overlegcultuur en consensus, het conflictmodel zet strijdmiddelen in.

harmoniemodel
overlegcultuur
conflictmodel
interdependentie
free-rider

Harmoniemodel: overleg en consensus. Conflictmodel: strijdmiddelen. Verwachte fout: de twee omdraaien.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Paradigma's en conflicten (11.1)

2

Internationale conflicten en oplossing (11.2)

3

Samenwerking en modellen (11.3)

4

Veiligheidsdilemma (11.4)

Gebruik de uitslag om les 2 te starten: begin bij het onderdeel met de meeste stemmen.

Kies een begrip uit de les en leg het uit.

Goed antwoord: een begrip uit de les met een juiste uitleg of voorbeeld. Verwachte fout: alleen het woord herhalen zonder uitleg.

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Begrippen (1/2)

  • conflict: situatie waarin individuen, groepen of staten elkaar tegenwerken voor eigen doelen

  • latent en manifest conflict: sluimerend (minder zichtbaar) tegenover open en zichtbaar met conflictgedrag

  • intrastatelijk conflict: conflict binnen een staat, vaak zonder overheid die het geweldsmonopolie handhaaft

  • sancties: economische maatregelen om druk uit te oefenen zonder geweld

  • samenwerking: handelen afstemmen voor een gemeenschappelijk doel, met vertrouwen en compromis

This item has no instructions

CONFLICT · INTERNATIONAAL

Begrippen (2/2)

  • interdependentie: onderlinge afhankelijkheid, soms asymmetrisch

  • harmoniemodel: overleg en consensus bij politieke en economische problemen

  • conflictmodel: eigen doelen in de strijd werpen met strijdmiddelen

  • veiligheidsdilemma: meer bewapening voor veiligheid leidt tot meer onveiligheid

  • free-rider: staat die de inspanning voor collectieve veiligheid aan anderen overlaat

This item has no instructions

More lessons like this