De hoofdzin (woordvolgorde met twee werkwoorden)

Zinnen maken

Zinnen met 2 werkwoorden, waarvan een heel werkwoord aan het einde.
Ik zet woorden in de goede volgorde...
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Zinnen maken

Zinnen met 2 werkwoorden, waarvan een heel werkwoord aan het einde.
Ik zet woorden in de goede volgorde...

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat is de goede volgorde in een normale zin?
<b>1</b>
<b>2</b>
<b>3</b>
Nederlands
Kanjana
leert

Slide 2 - Drag question

This item has no instructions

Wat is de goede volgorde in een normale zin?
<b>1</b>
<b>2</b>
<b>3</b>
bij Kruidvat
Marwa
werkt

Slide 3 - Drag question

This item has no instructions

Welk woord moet waar in een normale zin?
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">1</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">2</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">3</b>
de rest
Wie
werkwoord

Slide 4 - Drag question

This item has no instructions

Hoofdzin
In een hoofdzin staan de persoonsvorm en het onderwerp naast elkaar.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Uitleg: zinnen maken - de hoofdzin (1)
Wat is de goede volgorde?
wie (onderwerp)   +   doet (werkwoord)   +   de rest  
 
Voorbeelden:
Jan     loopt     naar school
Sabah     bakt     lekkere koekjes 
Sallie     geeft     Nederlandse les

   Let op! Bij een vraag: inversie (draai om)    
Loopt   Jan   naar school?

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Uitleg: Zin met een vraag (2)
 Werkwoord + Onderwerp + rest = tijd, wie of wat en plaats?

      Koopt + Jan + morgen een boek in Zaandam?
     Leert  + Maria +  Nederlands op school?  

           

Slide 7 - Slide

- het eerste werkwoord staat altijd op de 2e plaats

- de rest van de zin op de 3e plaats.

- de tijd staat vaak voor de plaats!

- wie of wat (3) staat vaak na de tijd en voor de plaats!
Opdracht: zinnen maken  
Maak zelf ook  3 zinnen
wie     +     werkwoord (ww)     +     rest   

Schrijf op:
1.
2.
3.
             

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Welke woord moet waar?
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">1</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">2</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">3</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">2</b>
een boek
De vrouw
wil
lezen

Slide 9 - Drag question

This item has no instructions

Welke woord moet waar?
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">1</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">2</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">3</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">2</b>
naar school
Het kind
kan
fietsen

Slide 10 - Drag question

This item has no instructions

Welke woord moet waar?
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">1</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">2</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">3</b>
<b style="color:rgb(255, 255, 255)">2</b>
de rest
Wie
werkwoord 1
werkwoord 2

Slide 11 - Drag question

This item has no instructions

Uitleg: Vraagzin met 2 werkwoorden (3)
Wat is de goede volgorde? (inversie)
     ww 1      +     wie      +    rest    +     2b. ww 2   

Voorbeelden:
Kan     Jan     naar school      lopen?
Wil       Marloes          lekker     eten?
Kan     Kris     op maandag les     geven?

     Let op: bij een vraag -> inversie (omdraaien)
Kan Jan naar school lopen?        

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

REST
= tijd
= met wie of wat
= plaats 

Slide 13 - Slide

This item has no instructions


Ik ..... (willen) naar het zwembad .... (gaan).

Slide 14 - Open question

This item has no instructions


De cursisten / vrienden / maken / zullen

Slide 15 - Open question

This item has no instructions


luisteren / De docent / niet / wil.

Slide 16 - Open question

This item has no instructions


wil / zwemmen / graag / Het jongetje.

Slide 17 - Open question

This item has no instructions


De vrouw ... (maak zelf een zin met 2 werkwoorden)

Slide 18 - Open question

This item has no instructions

Wat is goed?

A
De jongen werkt bij Albert Heijn.
B
Bij Albert Heijn de jongen werkt.
C
De jongen werken bij Albert Heijn.
D
De jongen werk bij Albert Heijn.

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Ga naar school ik.
B
Naar school ik ga.
C
Ik ga naar school.
D
Ik naar school ga.

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Hij lief is.
B
Hij is lief.
C
Is lief hij
D
Hij zin lief.

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
De vrouw brood kan bakken.
B
De vrouw kan brood bakken.
C
Brood bakken de vrouw kan.

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Het meisje in de speeltuin speelt.
B
In de speeltuin het meisje speelt.
C
Het meisje speelt in de speeltuin.
D
In de speeltuin speel het meisje.

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Wat is goed?

A
Ik gaan naar de film wil.
B
Naar de film ik wil gaan.
C
Ik wil naar de film gaan.
D
Ik ga naar de film wil.

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Uitleg: Maak een zin met een vraagwoord (4)
 Jan gaat morgen snel een boek in Zaandam kopen.

Vraagwoord + werkwoord + onderwerp + rest
(NB bij Wie? geen ander onderwerp)
Wie gaat morgen snel een boek in Zaandam kopen?   Jan -> persoon
Wat gaat Jan morgen snel in Zaandam kopen?      Een boek ->  ding
Wanneer gaat Jan snel een boek in Zaandam kopen?     Morgen -> tijd       
Waar gaat Jan snel een boek kopen?      In Zaandam -> plaats
Hoe gaat Jan een boek in Zaandam kopen?      Snel -> manier
Waarom gaat Jan een boek  kopen? Omdat hij een boek wil. -> reden



   

           

Slide 25 - Slide

- het eerste werkwoord staat altijd op de 2e plaats

- de rest van de zin op de 3e plaats.

- de tijd staat vaak voor de plaats!

- wie of wat (3) staat vaak na de tijd en voor de plaats!
Maak nu zelf 
  1. 1 normale hoofdzin met 2 werkwoorden
  2. 1 inversie hoofdzin met 2 werkwoorden die met een plaats begint
  3. 1 inversie hoofdzin met 2 werkwoorden die met een tijd begint
  4. 1 inversie hoofdzin met 2 werkwoorden die met een werkwoord begint
  5. 1 samengestelde zin die bestaat uit 2 inversie hoofdzinnen met 2 werkwoorden met het voegwoord ''en''

Slide 26 - Slide

This item has no instructions