M2 herhaling periode 2

PTD periode 2
1 / 44
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

PTD periode 2

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
  1. Ik ken de betekenis van de woorden van 2.5 en 3.5
  2. Ik ken de leerdoelen van 2.7 en 3.7
  3. Ik ken de leerdoelen van 2.8 en 3.8

Slide 2 - Slide

Weektaak 
  • M. § 3.7 opdr. 1 t/m 13
  • M. § 3.8 opdr. 1 t/m 11
  • M. test jezelf §3.7
  • M. test jezelf §3.8

Slide 3 - Slide

Woorden 2.5 en 3.5
  • achtervoegsels
  • afleidingen
  • moeilijke woorden

Slide 4 - Slide

grammatica zinsdelen 2.7
  • persoonsvorm
  • onderwerp
  • werkwoordelijk gezegde
  • lijdend voorwerp
  • meewerkend voorwerp

Slide 5 - Slide

grammatica woordsoorten 3.7
  • lidwoord
  • werkwoord: hulpwerkwoord / zelfstandig werkwoord
  • bijvoeglijk naamwoord
  • voorzetsel
  • persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
  • telwoord

Slide 6 - Slide

spelling 2.8 en 3.8
  • persoonsvorm verleden tijd
  • meervoud van woorden op -ie en -ee
  • dicteewoorden: verkleinwoorden
  • voltooid deelwoord van werkwoorden met ge-, be-, ver-, her- en ont-
  • voltooid deelwoord van splitsbare werkwoorden
  • hoofdletters
  • dicteewoorden met -th en -t

Slide 7 - Slide

Staan de zinsdeelstrepen goed?
Nederlandse scholen | kennen | veel | onderlinge | verschillen |
A
ja
B
nee

Slide 8 - Quiz

volgorde van ontleden
1
2
3
4
5
6
7
meewerkend voorwerp
persoonsvorm
gezegde
lijdend voorwerp
onderwerp
bwb
zinsdelen

Slide 9 - Drag question

Wat is de persoonsvorm?
Nederlandse scholen hebben veel onderlinge verschillen.
A
hebben
B
scholen
C
verschillen
D
Nederlandse scholen

Slide 10 - Quiz

Wat is het gezegde?
Ze bellen elkaar iedere avond even op.
A
ze
B
bellen
C
iedere avond
D
bellen op

Slide 11 - Quiz

Wat is het gezegde?
Johan vraagt Milan te komen gamen.
A
vraagt
B
vraagt gamen
C
vraagt komen gamen
D
vraagt te komen gamen

Slide 12 - Quiz

Wat is het onderwerp?
Johan vraagt Milan te komen gamen.
A
Johan
B
Milan
C
vraagt
D
gamen

Slide 13 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp?
Onze coach vraagt ons zelfstandig ons schoolwerk te plannen.
A
vraagt
B
onze coach
C
ons
D
ons schoolwerk

Slide 14 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp?
Onze coach vraagt ons zelfstandig ons schoolwerk te plannen.
A
onze coach
B
ons
C
zelfstandig
D
ons schoolwerk

Slide 15 - Quiz

Staat in de volgende zin een voltooid deelwoord?
Dat is wel vaker gebeurd.
A
ja
B
nee

Slide 16 - Quiz

Een voltooid deelwoord begint altijd met ge-.
A
waar
B
niet waar

Slide 17 - Quiz

Het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden eindigt meestal op -d
A
waar
B
niet waar

Slide 18 - Quiz

Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden eindigt op -t of -d.
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quiz

Geef een voorbeeld van een voltooid deelwoord dat niet met ge- begint.

Slide 20 - Open question

Geef een voorbeeld van een splitsbaar voltooid werkwoord.

Slide 21 - Open question

Wat betekent het woord in hoofdletters?
Vind je dat je ZUINIG bent?
A
gierig
B
spaarzaam
C
krenterig
D
gul

Slide 22 - Quiz

Welke achtervoegsels
ken je?

Slide 23 - Mind map

Geef een afleiding van het woord Nijmegen

Slide 24 - Open question

De gevierde actrice heeft een Oscar gewonnen.
A
Oscar = ZWW
B
heeft = ZWW
C
gewonnen = ZWW
D
gevierde = ZWW

Slide 25 - Quiz

Wat zijn de vier belangrijkste aanwijzende voornaamwoorden?

Slide 26 - Open question

De leraar geeft Kim een onvoldoende. Vervang 'de leraar' door een persoonlijk voornaamwoord.

Slide 27 - Open question

De leraar geeft Kim een onvoldoende. Vervang 'Kim' door een persoonlijk voornaamwoord.

Slide 28 - Open question

Het woord:
JOUW
is een
A
persoonlijk voornaamwoord
B
vragend voornaamwoord
C
zelfstandig voornaamwoord
D
bezittelijk voornaamwoord

Slide 29 - Quiz

Het woord:
ME
is een
A
persoonlijk voornaamwoord
B
vragend voornaamwoord
C
aanwijzend voornaamwoord
D
bezittelijk voornaamwoord

Slide 30 - Quiz

Jonas is als LAATSTE geëindigd.
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 31 - Quiz

De en het zijn bepaalde lidwoorden.
A
waar
B
niet waar

Slide 32 - Quiz

Wat is het rangtelwoord in de zin:
Gisteren kwam ik als tweede aan.

Slide 33 - Open question

Wat zijn de hulpwerkwoorden in de zin:
Straks zal ik wel weer verbinding hebben.

Slide 34 - Open question

Geef de persoonsvorm in de verleden tijd:
Mijn broertje LOOPT de schuur binnen.

Slide 35 - Open question

Hoofdletters
Waar staan de hoofdletters goed?
A
dhr. van Leeuwen
B
John van Leeuwen
C
john van Leeuwen
D
John Van leeuwen

Slide 36 - Quiz

Wat is het meervoud van idee?

Slide 37 - Open question

Wat is de verkleinvorm van lepel?

Slide 38 - Open question

Wat is de verkleinvorm van logé?

Slide 39 - Open question

Wat is de verkleinvorm van pudding?

Slide 40 - Open question

(verwachten) Wij .... toen niet echt dat jullie zouden komen.

Slide 41 - Open question

(benaderen) Later hebben we nog een reisbureau ...

Slide 42 - Open question

Hij heeft WEINIG geld verdiend.
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 43 - Quiz

Week 4 PTD NE 
De laatste les NE van week 4 wordt het PTD woorden, grammatica en spelling hst 2 en 3 in Forms afgenomen.
Zie agenda in itslearning

Slide 44 - Slide