Besturingssysteem in de praktijk

Besturingssystemen in de praktijk

1 / 44
next
Slide 1: Slide
New lesson editorICTMBOStudiejaar 2

This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min
Report this lesson

Items in this lesson

Besturingssystemen in de praktijk

Centrale lijn van de les: wat een besturingssysteem is, welke kernonderdelen en taken het heeft, en hoe de gebruiker ermee werkt via interfaces.

Welke woorden koppel jij aan een besturingssysteem?

Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: Windows, opstarten, geheugen, bestanden, hardware, BIOS, interface, programma.

BIOS, UEFI en utilities

Belangrijke begrippen uit deze les:

  • BIOS en UEFI starten de computer op

  • Ze bereiden de hardware voor op het laden van het besturingssysteem

  • Utilities zijn hulpprogramma’s met een ondersteunende taak

De gebruiker noemde meerkeuzevragen als herhaling, maar deze fase mag hier geen interactie bevatten. Daarom staat op deze slide alleen de inhoudelijke herhaling van de begrippen.

Wat is BIOS en wat is UEFI?


Ze controleren of de hardware beschikbaar is en zorgen dat het besturingssysteem kan worden geladen. UEFI is de modernere variant en komt op veel nieuwe computers in plaats van BIOS voor.

Houd het hier functioneel: niet diep ingaan op firmwaredetails, maar koppelen aan opstarten en overgang naar het besturingssysteem.

Van opstarten naar gebruik

Benadruk dat BIOS/UEFI niet hetzelfde is als het besturingssysteem, maar de weg ernaartoe mogelijk maakt.

Wat zijn utilities?

A

Opstartinstructies

B

Hulpprogramma’s

C

Beeldschermen

D

Processoren

Sluit aan op slides 2-5 en de lesbronformulering dat utilities ondersteunende programma’s zijn.

Het besturingssysteem

Een besturingssysteem is in de basis gewoon een programma.


Net als andere programma’s bestaat het uit opdrachten die de processor kan uitvoeren. Het verschil is dat dit programma veel ingewikkelder is, omdat het de samenwerking tussen hardware, geheugen, randapparatuur en andere programma’s regelt.

This item has no instructions

Waarom is het zo bijzonder?

Voor het schrijven van een besturingssysteem is veel kennis van hardware nodig.

  • het stuurt apparaten aan

  • het verdeelt middelen van de computer

  • het moet stabiel blijven als meerdere programma’s werken

  • het vormt de basis waarop andere software draait

Leg het contrast uit: een tekstverwerker gebruikt het systeem, maar het besturingssysteem bestuurt de omgeving waarin die tekstverwerker draait.

Wat staat in het geheugen?

Zolang de computer aanstaat, is het besturingssysteem aanwezig in het interne geheugen.


Niet altijd hoeft het hele besturingssysteem tegelijk in dat geheugen te staan. Vooral de onderdelen die randapparatuur intensief aansturen, moeten direct beschikbaar zijn.

Koppel intern geheugen expliciet aan RAM als leerlingen die term kennen, maar gebruik op de slide de term uit de bron.

Niet alles tegelijk

Andere onderdelen van het besturingssysteem kunnen tijdelijk op een extern geheugenmedium staan, meestal de harde schijf.

Pas wanneer ze nodig zijn, worden ze geladen. Zulke ondersteunende onderdelen noemen we in deze context utilities.

Let op: in de praktijk kan 'utilities' breder gebruikt worden. Volg hier de lesbron en houd de uitleg dicht bij de gegeven tekst.

De kern: het monitorprogramma

De echte kern van het besturingssysteem is het monitorprogramma.


Dit programma heeft de regie in handen. Het coördineert andere onderdelen van het besturingssysteem en zorgt dat programma’s, geheugen en apparaten ordelijk samenwerken.

Noem dat 'monitor' hier de centrale besturingslaag is; voorkom verwarring met een beeldschermmonitor.

Taak 1: tijd verdelen

De monitor verdeelt processortijd en geheugen over werkende programma’s.

  • houdt rekening met prioriteit

  • schakelt steeds tussen programma’s

  • programma’s lijken tegelijk te draaien

  • in werkelijkheid krijgen ze om de beurt verwerkingstijd

Gebruik hier het begrip multitasking. Leg uit dat de snelheid van omschakelen zorgt voor de indruk van gelijktijdigheid.

Taak 2: virtueel geheugen

Als er te weinig intern geheugen is, gebruikt de monitor virtueel geheugen.


Onderdelen die op dat moment niet gebruikt worden, worden tijdelijk naar de harde schijf geschreven. Dit heet swappen. Wanneer die gegevens weer nodig zijn, worden ze terug in het interne geheugen geladen.

Benadruk het nadeel: de computer wordt trager doordat een harde schijf veel langzamer is dan intern geheugen.

Taak 3: bescherming en foutafhandeling

De monitor bewaakt de orde in het systeem.

  • programma’s mogen alleen schrijven in toegewezen geheugen

  • programma’s beschermen tegen beschadiging

  • fouten in één programma moeten andere programma’s niet stilleggen

  • communicatie met randapparatuur blijft geordend verlopen

Noem dat de processor bij opdrachten controleert of een geheugenadres gebruikt mag worden, zoals in de brontekst staat.

Waarom is een besturingssysteem bijzonder?

A

Het draait maar één taak

B

Het bestuurt hardware en software

C

Het vervangt de processor

D

Het is alleen voor printers

Toetst begrip van slides 6-10: een besturingssysteem is ook een programma, maar met regie over de hele computeromgeving.

Vul de kernwoorden in

Zolang de computer aanstaat, staat het besturingssysteem in het interne geheugen. De echte kern heet het monitorprogramma. Andere onderdelen kunnen tijdelijk op de harde schijf staan tot ze nodig zijn.

interne geheugen
monitorprogramma
harde schijf
prompt
menubalk
toetsenbord

Controleert de samenhang tussen geheugen, kern en tijdelijke opslag.

Welke taak van de monitor vind jij het belangrijkst?

Bespreek dat de monitor de regie heeft: tijd verdelen, virtueel geheugen beheren, communicatie ordenen, programma’s beschermen en fouten afhandelen. Laat leerlingen één taak kiezen en kort toelichten.

Gebruikersinterfaces

Introductieslide voor het volgende deel: van interne werking naar wat de gebruiker ziet en bedient.

Waarom interfaces belangrijk zijn

Besturingssystemen verschillen per fabrikant en ontwikkelaar.


Toch hoeft een gebruiker tegenwoordig minder van de interne werking te weten, omdat de toegang tot het besturingssysteem eenvoudiger is geworden. Vooral grafische interfaces maken het gebruik toegankelijker.

This item has no instructions

Twee soorten interfaces

Tekengeoriënteerd

  • werken met pictogrammen en vensters

  • opdrachten via muis, toetsen of touchscreen

  • menu’s maken bediening overzichtelijker

  • geschikt voor dagelijks gebruik

Grafisch georiënteerd

  • opdrachten typen achter een prompt

  • commando’s bestaan uit tekst

  • gebruiker moet commando’s kennen

  • typefouten zorgen snel voor problemen

Gebruik deze slide om het hoofdcontrast neer te zetten. De volgende slides werken beide kanten verder uit.

Tekengeoriënteerde interface

Bij een tekengeoriënteerde interface voert de gebruiker commando’s via het toetsenbord in.


De computer wacht bij de prompt op een opdracht, zoals in DOS of Unix. Dit vraagt meer kennis van commando’s en is minder gebruiksvriendelijk voor beginners.

Je kunt hier een eenvoudig voorbeeld geven van een promptregel, zonder extra commando’s te hoeven behandelen.

Menu’s als vereenvoudiging

Een menu maakt de bediening eenvoudiger.

  • met cursortoetsen naar een keuze gaan

  • met Enter een programma starten

  • soms starten via muisklik of touchscreen

  • een menu kan ook verschijnen na een commando

Laat zien dat menu’s een tussenstap vormen: minder vrij typen, meer kiezen uit opties.

Grafische gebruikersinterface

Een grafische gebruikersinterface of GUI gebruikt pictogrammen, knoppen en menu’s.

  • documenten en programma’s hebben herkenbare symbolen

  • een dubbelklik kan een programma starten

  • menu’s geven toegang tot commando’s

  • de bediening voelt daardoor sneller en vriendelijker

Noem GUI voluit één keer; gebruik daarna consequent GUI of grafische gebruikersinterface.

Vensters, schuifbalken en menu’s

Bij multitasking krijgt ieder programma een eigen venster.


Daardoor kun je informatie uit meerdere programma’s tegelijk zien. Past niet alles in beeld, dan gebruik je schuifbalken. Via menubalken en oplichtende tekst krijg je extra opdrachten en mogelijkheden.

Verbind dit aan praktisch werken: kopiëren tussen programma A en programma B is handiger als beide zichtbaar zijn.

Niet alles is van het programma

Sommige functies lijken onderdeel van een toepassing, maar worden eigenlijk door het besturingssysteem geregeld.


Voorbeelden zijn knippen, kopiëren, plakken en printen. De toepassing gebruikt deze functies, maar het besturingssysteem verzorgt de onderliggende uitvoering.

Dit is een belangrijk inzicht: toepassingen en besturingssysteem werken samen, maar hebben niet dezelfde taak.

Wat is een prompt?

A

Een schuifbalk

B

Een pictogram

C

Een menubalk

D

Wachtplek voor commando’s

Sluit aan op slides 16-18 over tekengeoriënteerde interfaces.

Waarom heeft elk programma in een GUI een eigen venster?

A

Voor sneller opstarten

B

Voor meer opslag

C

Voor tegelijk overzicht

D

Voor minder geheugen

Verwijst naar slide 20: bij multitasking kun je zo informatie uit meerdere programma’s tegelijk zien.

Vul de interfacebegrippen in

Bij een tekengeoriënteerde interface typ je commando’s achter de prompt. In een GUI werk je met pictogrammen en vensters. Functies zoals knippen en plakken lijken soms van een programma, maar worden door het besturingssysteem geregeld.

prompt
GUI
plakken
BIOS
swappen
module

Herhaalt het contrast CLI/GUI en het inzicht dat sommige zichtbare functies eigenlijk OS-taken zijn.

Taken van het besturingssysteem

Overgang naar deel 2: van opbouw en interface naar concrete systeemtaken.

Zo veel mogelijk, zo min mogelijk moeite

Een besturingssysteem moet de gebruiker veel laten doen met zo min mogelijk moeite.


Daarom zijn besturingssystemen steeds uitgebreider geworden. Die extra mogelijkheden vragen ook meer van de hardware van de computer.

Gebruik het geheugenvoorbeeld uit de bron als illustratie van groeiende eisen aan systemen.

Voorbeeld van groeiende eisen

De hardware-eisen zijn sterk toegenomen.


In 1981 was 256 kB geheugen normaal. In 2023 wordt voor Windows 11 minimaal 4 GB aanbevolen. Dat laat zien hoeveel uitgebreider besturingssystemen in de loop van de tijd zijn geworden.

Je kunt mondeling toelichten dat dit ongeveer 16.000 keer meer is, zoals in de brontekst staat.

Welke opdrachten voert het uit?

  • tonen welke gebruikers actief zijn

  • tonen hoe tijd over programma’s is verdeeld

  • tonen welke bestanden op de systeemschijf staan

Systeeminformatie

  • bestand kopiëren van de ene schijf naar de andere

  • printer 2 laten stoppen met afdruktaken

  • uitvoer van scherm 2 naar printer 1 sturen

Bestanden en apparaten

Benadruk dat dit algemene opdrachten zijn en niet aan één specifieke toepassing vastzitten.

Algemene opdrachten

Voor het besturingssysteem maakt het niet uit of je een tekstbestand of een afbeelding kopieert.


Dezelfde systeemopdracht kan voor verschillende soorten bestanden worden gebruikt. Het besturingssysteem voert dus algemene functies uit die voor veel toepassingen bruikbaar zijn.

This item has no instructions

Eén taak, meerdere manieren

Veel besturingssystemen bieden meer dan één manier om een opdracht te geven.

  • via verschillende commando’s of commandotalen

  • via programma’s die al actief zijn

  • soms in verschillende talen

  • uiteindelijk voert hetzelfde deel van het besturingssysteem de opdracht uit

Koppel dit terug aan GUI versus commando-invoer: de ingang verschilt, de uitvoerende laag blijft dezelfde.

Modules binnen het systeem

Een besturingssysteem is opgebouwd uit modules.

  • delen zijn zelfstandig van opzet

  • samen vormen ze één geheel

  • een deel controleert en accepteert commando’s

  • een ander deel voert die commando’s uit

Gebruik 'modules' consequent als term. Vermijd hier extra architectuurbegrippen die niet in de bron staan.

Van commando naar uitvoering

De route binnen het besturingssysteem is meestal:


commando controleren en accepteren → commando doorgeven volgens vaste procedure → uitvoerend deel starten → gespecialiseerd deel voor een randapparaat gebruiken.

Noem dat programma’s soms rechtstreeks het uitvoerende deel activeren, vooral wanneer opdrachten in een programmeertaal worden doorgegeven.

Jobs en job control language

Een besturingssysteem heeft vaak een eigen programmeertaal.


Daarin kun je een reeks opdrachten achter elkaar opschrijven. Zulke opdrachten heten jobs. De taal waarin je die taken beschrijft, heet job control language.

Leg eventueel uit dat hiermee meerdere programma’s achter elkaar kunnen worden gestart, zoals in een verwerkingsreeks.

Wat bedoelt de les met algemene opdrachten?

A

Alleen voor één programma

B

Alleen voor tekstbestanden

C

Bruikbaar voor veel situaties

D

Alleen via touchscreen

Koppelt aan slides 25-27: dezelfde systeemopdracht kan voor verschillende soorten bestanden of ingangen gelden.

Vul de systeemtermen in

Een besturingssysteem bestaat uit modules. Eerst wordt een commando gecontroleerd, daarna start het uitvoerende deel. Een reeks opdrachten heet een job en kan worden geschreven in een job control language.

modules
uitvoerende deel
job
prompt
venster
utility

Het begrip 'uitvoerende deel' is direct afleidbaar uit slide 29. Toetst route en opbouw van het systeem.

Welk onderdeel vond jij het duidelijkst uitgelegd?

1

BIOS/UEFI

2

Monitor

3

Interfaces

4

Modules en jobs

This item has no instructions

Wat is één ding dat je uit deze les onthoudt?

Laat studenten benoemen wat is blijven hangen, bijvoorbeeld monitorprogramma, GUI versus prompt, virtueel geheugen, modules of algemene opdrachten.

Welk onderdeel vond je nog het lastigst?

Gebruik antwoorden om te bepalen wat eventueel herhaald moet worden. Mogelijke lastige punten: swappen, virtueel geheugen, verschil tussen OS en toepassing, jobs/job control language.

Begrippenlijst

BIOS - opstartsysteem dat hardware controleert en het laden van het besturingssysteem voorbereidt.

UEFI - moderne opvolger van BIOS met dezelfde basisrol bij het opstarten.

utility - hulpprogramma met een ondersteunende of beheertaak.

besturingssysteem - programma dat hardware, geheugen, apparaten en andere programma’s beheert.

monitorprogramma - kern van het besturingssysteem die de regie over het systeem voert.

prioriteit - mate van belangrijkheid waarmee een programma verwerkingstijd krijgt.

virtueel geheugen - tijdelijke uitbreiding van geheugen door delen naar de harde schijf te verplaatsen.

This item has no instructions

Begrippenlijst

swappen - tijdelijk verplaatsen van programmaonderdelen tussen intern geheugen en harde schijf.

prompt - plek waar de computer wacht op een getypte opdracht.

tekengeoriënteerde interface - gebruikersinterface waarbij commando’s als tekst worden ingevoerd.

GUI - grafische gebruikersinterface met pictogrammen, knoppen en vensters.

module - zelfstandig deel van het besturingssysteem met een eigen taak.

job - reeks opdrachten of taak die door het besturingssysteem wordt verwerkt.

job control language - taal om zulke jobs of taakreeksen te beschrijven.

This item has no instructions