Les 4 B1

Nederlands met de Klinker
1 / 36
next
Slide 1: Slide
BurgerschapISK

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 6 videos.

Items in this lesson

Nederlands met de Klinker

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?

- Raad de naam van deze groente of fruit

-  Je gaat zelf vertellen wat je hebt gegeten vandaag

- De namen leren van verschillende groente en fruit

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?

- Raad de naam van deze groente of fruit

-  Je gaat zelf uitleggen hoe je iets gekookt hebt

- De namen leren van verschillende groente en fruit

Slide 3 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?


- NOS Journaal in Makkelijke Taal


- Eten en spullen bestellen voor het koken

- De namen leren van verschillende groente, fruit en kruiden

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video



1. Leg uit wat er mis is met de filmpjes die op internet rondgaan.
2. Waarom is het een probleem als mensen deze filmpjes geloven?
3. Wat kunnen mensen doen om nep-informatie te herkennen?

4. Beschrijf wat een aardverschuiving is en wat er in Sicilië is gebeurd.
5. Welke gevolgen kan dit hebben voor de bewoners?
6. Wat zou de overheid kunnen doen om te helpen?

7. Waarom is de komst van de beloega nieuwswaardig?
8. Wat zijn mogelijke risico’s als mensen te dicht bij het dier komen?
9. Vind jij dat mensen afstand moeten houden van wilde dieren? Waarom?






Beantwoord de vragen in twee zinnen. En kies daarna één onderwerp uit de uitzending. Schrijf een korte samenvatting (5–6 zinnen)
en geef je mening met minstens één argument.
Vragen en opdracht bij het NOS Journaal

Slide 6 - Slide

Pastinaak
Rode biet
Prei
Spruitjes
Spitskool

Slide 7 - Drag question

Verleden tijd
Praten over vroeger:
Voltooide tijd: Ik heb gisteren met jou gepraat.
-> met hulpwerkwoord (hebben en zijn) en voltooid deelwoord

Verleden tijd: Ik werkte gisteren op school.
-> Bij regelmatige werkwoorden op het einde: -te(n) of - de(n)
-> veel onregelmatige werkwoorden

Slide 8 - Slide

Verleden tijd
Maak de stam:                              werken- werk        wonen-woon

Kijk naar de laatste letter. Zit die in softketchup?
Ja: + te of + ten                             werkte                werkten
Nee: + de of + den                       woonde              woonden


Slide 9 - Slide

Verleden tijd
zijn                                  hebben                             gaan
ik was                             ik had                                 ik ging
jij was                             jij had                                 jij ging
hij/zij/u was                 hij had                               hij ging
wij waren                      wij hadden                      wij gingen
jullie waren                  jullie hadden                  jullie gingen
zij waren                       zij hadden                       zij gingen

Slide 10 - Slide

Vroeger.... wij op vakantie naar Spanje.
A
gaat
B
hadden
C
gaan
D
gingen

Slide 11 - Quiz

Vroeger.... wij lang vakantie.
A
gaat
B
hadden
C
gaan
D
gingen

Slide 12 - Quiz

Ik... vorig jaar in Spanje.
A
ging
B
woont
C
woonde
D
gaat

Slide 13 - Quiz

Wij ... toen vaak door de bergen.
A
gingen
B
fietsten
C
woonden
D
hadden

Slide 14 - Quiz

Toen ik ouder was, ... wij verhuizen.
A
gingen
B
waren
C
wilden
D
hadden

Slide 15 - Quiz

Ik ... toen erg verdrietig.
A
had
B
ben
C
wilde
D
was

Slide 16 - Quiz

Toen we in Nederland ..., .... het best leuk.
A
hadden, was
B
verhuisden, waren
C
kwamen, was
D
miste, had

Slide 17 - Quiz

Instructie veel gebruikte zinnen

In de les zijn de volgende zinnen besproken, luister naar de zinnen om de uitspraak goed te horen. Zoek de woorden die je niet kent op en noteer deze op een blaadje.

Slide 18 - Slide

Instructie veel gebruikte zinnen

In de les zijn de volgende zinnen besproken, luister naar de zinnen om de uitspraak goed te horen. Zoek de woorden die je niet kent op en noteer deze op een blaadje.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Slide 21 - Video

Slide 22 - Video

Slide 23 - Video

Slide 24 - Video

Slide 25 - Link

Slide 26 - Link

Slide 27 - Link

Bereid voor de volgende les het volgende voor


Opdracht A1 (spreken):
Schrijf op papier wat je donderdag gaat eten  en neem dit mee. Maak het in de verleden tijd en gebruik minimaal 3 zinnen. 

Slide 29 - Slide

Bereid voor de volgende les het volgende voor


Opdracht A2 (spreken):
Schrijf op papier wat je op dinsdag hebt gegeten en neem dit mee. Maak het in de verleden tijd en gebruik minimaal 3 zinnen. 

Slide 30 - Slide

Bereid voor de volgende les het volgende voor


Klik op de link op de volgende pagina en maak de huiswerk opdracht en neem deze mee naar de volgende les. 

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Link

Bereid voor de volgende les het volgende voor
(B1 schrijfopdracht)
Schrijf een korte tekst van 120–150 woorden.
Situatie
Je kunt zelf geen boodschappen doen.
Een andere persoon helpt je.
Je hebt ook telefonisch eten besteld en je hebt een allergie.
Wat moet in de tekst staan?
1. Tegenwoordige tijd
Wat heb je nu nodig?
Wie helpt je?
2. Verleden tijd
Wat gebeurde er gisteren of eerder?
Wat zei je aan de telefoon bij de bestelling?
3. Voltooid tegenwoordige tijd
Wat heb je al gedaan?

Wat heeft de andere persoon al voor je gedaan?

Verplichte elementen

Minstens 1 allergie (bijvoorbeeld: melk, pinda, gluten)

Minstens 3 onregelmatige werkwoorden
(bijvoorbeeld: gaan, doen, zeggen, nemen, krijgen, maken)

Slide 33 - Slide

Wat heb je gedaan deze les?

- De namen geraden van groente of fruit

-  Je gaat zelf vertellen wat je hebt gegeten vandaag

- De namen leren van verschillende groente en fruit

Slide 34 - Slide

Wat heb je gedaan deze les?

- De namen geraden van groente of fruit

-  Je gaat zelf uitleggen hoe je iets gekookt hebt

- De namen leren van verschillende groente en fruit

Slide 35 - Slide

Wat heb je gedaan deze les?


- NOS Journaal in Makkelijke Taal

- Eten en spullen bestellen voor het koken

- De namen leren van verschillende groente, fruit en kruiden



Slide 36 - Slide