TC A1 thema 3.12 en 3.13

1 / 46
next
Slide 1: Slide
NederlandsNT2ISK

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Programma

Thema 3.12 en 3.13

Slide 2 - Slide

Herhaling

Slide 3 - Slide

Deze stoel is ......
A
mooi
B
mooie

Slide 4 - Quiz

Deze man is ......
A
aardig
B
aardige

Slide 5 - Quiz

De ......... man.
A
lang
B
lange

Slide 6 - Quiz

De ......... stoel.
A
oud
B
oude

Slide 7 - Quiz

Video 3.11
Ik schrijf, wij schrijven - ik kies, wij kiezen

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Link

3.11 Werkwoorden met v of z
Schrijven is het hele werkwoord          
Schrijven     Schrijf is de ik-vorm         
ik       
jij/je   + t
u        + t
hij/zij  + t
wij/jullie/zij hele ww
ik schrijf
jij schrijft   schrijf jij?
u schrijft
hij/zij schrijft
wij/jullie/zij schrijven
ik kies
jij kiest    kies jij?
u kiest
hij/zij kiest
wij/jullie/zij kiezen
Nooit v of z aan het eind van het woord

Slide 10 - Slide

Vul in:

Ik .... in mijn agenda.
A
schrijv
B
schrijft
C
schrijf
D
schrijvt

Slide 11 - Quiz

Vul in:

Wij .... een wit bed.
A
kies
B
kiest
C
kiezen

Slide 12 - Quiz

Vul in:

Jij .... antwoord op de vraag.
A
geft
B
geeft
C
gevt
D
geevt

Slide 13 - Quiz

Vul in:

U .... een groene bank.
A
kiez
B
kies
C
kiest
D
kiezt

Slide 14 - Quiz

Jullie ........... de tekst en de opdracht.
A
leezen
B
leesen
C
lees
D
lezen

Slide 15 - Quiz

Vul in:

... je met een potlood?
A
Schrijft
B
Schrijvt
C
Schrijf
D
Schrijv

Slide 16 - Quiz

Vul in:

Hij .... de zin goed.
A
lees
B
leest
C
lezen
D
leezt

Slide 17 - Quiz

Vul in:

De docenten .... Nederlandse les.
A
geeft
B
gefen
C
geven
D
geevt

Slide 18 - Quiz

Vul in:

Hoe .... ik jouw naam?
A
schrijf
B
schrijv
C
schrijft
D
schrijvt

Slide 19 - Quiz

3.11 Werkwoorden met v of z
Maak:
oefening 84 tot 91 op pagina 104-106.

Slide 20 - Slide

3.12 Kazem is de sleutel vergeten
Luisteroefening
Vul de woorden in.

Slide 21 - Slide

3.12 Kazem is de sleutel vergeten
Lezen:
Kazem komt thuis. De deur is op slot.
Kazem zoekt de sleutel van het huis.
Hij kan de sleutel niet vinden. Kazem gaat naar de buurman.
De buurman heeft ook een sleutel van Kazems huis.
Kazem zegt: 'Dag buurman! Ik ben mijn sleutel vergeten. Mijn sleutel ligt binnen.'
De buurman lacht. Hij zegt: 'Ik vergeet de sleutel ook vaak!'
Ik pak de sleutel van je huis. Alsjeblieft, Kazem!'
'Dank je wel, buurman!'

Slide 22 - Slide

3.12 Kazem is de sleutel vergeten
WAAR
NIET WAAR
De deur van Kazem is op slot.
Hij gaat naar de buurman.
Hij vindt de sleutel van het huis.
De buurman geeft de sleutel aan Kazem.
De buurman heeft een sleutel van zijn huis.
De buurman kan de sleutel niet vinden.
De buurman is weg.

Slide 23 - Drag question

3.12 Kazem is de sleutel vergeten
Luisteroefening
Hoor je een ander woord?
Schrijf het naast de zin.
Zet een streep onder het woord
in de tekst.

Slide 24 - Slide

3.12 Kazem is de sleutel vergeten
Antwoord:
Kazem komt thuis. De muur is op slot.
Kazem zoekt de sleutel van het huis.
Hij kan de sleutel niet vinden. Kazem gaat naar de buurvrouw.
De buurman heeft ook geen sleutel van Kazems huis.
Kazem zegt: 'Hoi buurman! Ik ben mijn sleutel vergeten. De sleutel ligt binnen.'
De buurman lacht. Hij zegt: 'Ik vergeet de sleutel niet vaak!'
Ik pak de sleutel van je deur. Alsjeblieft, Kazem!'
'Dank u wel, buurman!'

Slide 25 - Slide

3.12 Kazem is de sleutel vergeten
Maak:
Oefening 94 tot en met 98. Pagina 107 tot 109.

Slide 26 - Slide

Video 3.13 
Zinnen maken (1)

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Link

3.13 Zinnen maken
Een gewone zin heet een hoofdzin.
Het werkwoord staat in een hoofdzin op de tweede plaats.

wie of wat
werkwoord
rest (wanneer, wat, waar)
Ik
kom
morgen.
We
moeten
naar school.
Zij
leest
een boek.
Hij
zit
op de bank.

Slide 29 - Slide

<b>1 wie of wat</b>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
op de bank
zit
Alif

Slide 30 - Drag question

<b>1 wie of wat</b>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wat)</b></div>
Dariusz
een leuk boek
leest

Slide 31 - Drag question

<b>1 wie of wat</b>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
is
beneden
de woonkamer

Slide 32 - Drag question

<b>1 wie of wat</b>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wat of hoe)</b></div>
met een potlood
schrijf
ik

Slide 33 - Drag question

<b>1 wie of wat</b>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
woont
de buurvrouw
op de derde verdieping

Slide 34 - Drag question

<b>1 wie of wat</b>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wat)</b></div>
mijn straat
is
druk

Slide 35 - Drag question

<b>1 wie of wat</b>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
de kinderen
liggen
in bed

Slide 36 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wie of wat)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
de telefoon
uit de tas
pakt
Claudio

Slide 37 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wie of wat)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
spreken
Nederlands
in de klas
we

Slide 38 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wie of wat)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(wanneer)</b></div>
de laatste les
de klas
om 20.15 uur
heeft

Slide 39 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wie of wat)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
de opdracht
op het papier
maakt
Youcef

Slide 40 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wanneer)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
gaat
een aantal maanden
naar België
Pedro

Slide 41 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<b>3 rest</b><div><b>(wie of wat)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
hebben
wij
op de computer
geen internet

Slide 42 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<span style="font-weight: 700">3 rest (wanneer)</span>
<b>3 rest</b><div><b>(wie of wat)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
met hun vrienden
de cursisten
in de kantine
tijdens de lunch
eten

Slide 43 - Drag question

<span style="font-weight: 700">1 wie of wat</span>
<b>2 werkwoord</b>
<span style="font-weight: 700">3 rest (wanneer)</span>
<b>3 rest</b><div><b>(wie of wat)</b></div>
<b>3 rest</b><div><b>(waar)</b></div>
met Pavlo
Hanna
oefeningen op de werkbladen
elke les
maakt

Slide 44 - Drag question

Terugblik

Slide 45 - Slide

Je kunt vragen beantwoorden.
Je kunt informatie uitwisselen.
Je kunt praten over wonen.

Doelen behaald?

Slide 46 - Poll