Les 5 Grammatica pers vnw 1e 3e 4e

Hoeveel naamvallen zijn er in het Duits?
A
2
B
3
C
4
D
5
1 / 12
next
Slide 1: Quiz
DuitsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Hoeveel naamvallen zijn er in het Duits?
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 1 - Quiz

Wat is een naamval?
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
Naamval = zinsdeel

Slide 2 - Slide

Grammatik: naamvallen
Onderwerp (1e naamval):

Meewerkend voorwerp (3e naamval):
Lijdend voorwerp (4e naamval):


Zinnen ontleden
wie / wat + gezegde = onderwerp


aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend    voorwerp = meewerkend voorwerp

wie / wat + gezegde + onderwerp = lijdend voorwerp

Slide 3 - Slide

Het onderwerp
Het meewerkend voorwerp
Het lijdend voorwerp
1e naamval
Wie/wat + onderwerp + gezegde
4e naamval
Wie/wat + gezegde
3e naamval
aan/voor wie of wat

Slide 4 - Drag question

Persoonlijk voornaamwoorden 1e naamval

1e naamval:
ik         jij      hij     zij      het     wij      jullie        zij         u
ich      du     er      sie    es        wir      ihr           sie        Sie 

  • Ik kom morgen ook. / Ich komme morgen auch.
  • ik / ich = onderwerp
= altijd het onderwerp!! 
   (vraag: wie/wat + persoonsvorm)
Kan een zelfstandig naamwoord vervangen

Slide 5 - Slide

Persoonijk voornaamwoord in de 
4e naamval = lijdend voorwerp
In het Nederlands:
Zin: Heb je ik gezien?
ik --> mij
Correct is: Heb je mij gezien?
In het Duits:
Zin: Hast du ich gesehen?
ich --> mich
Correct is: Hast du mich gesehen?
Het lijdend voorwerp is in het Duits de 4e naamval.
Vraag: wie/wat + gezegde + onderwerp
In de voorbeeldzin:
  • Vraag: Wie/wat heb jij gezien?
  • Antwoord: mij / mich

Slide 6 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord 
1e en 4e naamval
1e naamval:
  • ik          jij         hij        zij        het        wij      jullie      zij        u
  • ich       du       er         sie        es         wir     ihr          sie       Sie 

4e naamval:
  • mij       jou      hem    haar    het       ons     jullie    hen     u  
  • mich   dich   ihn       sie       es          uns     euch    sie      Sie


Sommige persoonlijk voornaamwoorden zijn hetzelfde in de 1e en 4e naamval!

Slide 7 - Slide

Persoonijk voornaamwoord in de 
3e naamval = meewerkend voorwerp
In het Nederlands:
Zin: Geef je ik een cadeau?
ik --> (aan) mij
Correct is: Geef je (aan) mij een cadeau?
In het Duits:
Zin: Gibst du ich ein Geschenk?
ich --> mir
Correct is: Gibst du mir ein Geschenk?
Het meewerkend voorwerp is in het Duits de 3e naamval.
Vraag: aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijden voorwerp
In de voorbeeldzin:
  • Vraag: Aan wie geef jij een cadeau?
  • Antwoord: mij / mir

Slide 8 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord 
3e en 4e naamval
3e naamval:
  • mij      jou     hem     haar     het     ons      jullie     hen         u
  • mir     dir       ihm      ihr        ihm     uns     euch     ihnen      Ihnen  

4e naamval:
  • mij       jou      hem    haar    het       ons     jullie     hen      u  
  • mich   dich   ihn       sie       es          uns     euch    sie        Sie


Sommige persoonlijk voornaamwoorden zijn hetzelfde in de 1e en 4e naamval!

Slide 9 - Slide

1
onder-werp
ich
du
er
sie
es
wir
ihr
sie
Sie
3
meew. vw.
mir
dir
ihm
ihr
ihm
uns
euch
ihnen
Ihnen
4
lijdend vw
mich
dich
ihn
sie
es
uns
euch
sie 
Sie

Slide 10 - Slide

Gibt es Fragen?

Slide 11 - Slide

An die Arbeit!
* Machen Kapitel 4 Aufgabe 17, 18, 19, 22  Seite 27 (oder online)


Slide 12 - Slide