CG A1 Unidad 7 deel 2_lesweek 5_les 1

Buenos días
Hoy es lunes ......
¿Qué tal (estáis)? ¿Qué tal..?

huiswerk was: 
11 t/m 15 WB (behalve 11), Unidad 7
LET OP: nu TT 5+6 
1 / 27
next
Slide 1: Slide
SpaansHBOSpeciaal OnderwijsStudiejaar 1

This lesson contains 27 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Buenos días
Hoy es lunes ......
¿Qué tal (estáis)? ¿Qué tal..?

huiswerk was: 
11 t/m 15 WB (behalve 11), Unidad 7
LET OP: nu TT 5+6 

Slide 1 - Slide

TT Unidad 5 + 6
max 20 minutos, eerder klaar? leer je vocabulario Module 4 of werk Unidad 7 (1 t/m 15) bij
timer
15:00

Slide 2 - Slide

¿qué tal los deberes?

Slide 3 - Slide

exámenes
extra voorzieningen? 
Laatste kans om alles aan te leveren bij Bedrijfsburo
hulpmiddelen bij tentamens:
nada de nada

Slide 4 - Slide

Het werkwoord ir= gaan
ir
voy
vas
va
vamos
vais
van
a


de


en
ir a = gaan naar : voy a Cali
ir a + infinitivo: nabije toekomst:
         mañana voy a visitar el museo
ir de : in uitdrukkingen: ir de compras
            ir de vacaciones, ir de excursión, ir              de copas, ir de tapas
ir en + vervoermiddel: ir en avión,    
          ir en coche, ir en bicicleta
ir a pie
ir a caballo
a + el          al
voy a el museo: voy al museo

Slide 5 - Slide

1. al cine
2.a -en
3. a
4. de
5. de
6. a
7. de
8. de-en
9. de
10. a

Slide 6 - Slide

Unidad 7
El placer de viajar

-herhaling deel 1 Unidad 7
-contratos Sevilla?

Unidad 7: Nr.  9 t/m 12 TB
  • Presente Perfecto
  • onregelmatige vormen

 

Slide 7 - Slide

molesta
molestan
werkwoord
onderwerp
meewerkend voorwerp

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Reageer passend op de volgende vragen 
+ = je bent het er wel mee eens /  X je bent het er niet mee eens 

Slide 10 - Slide

dobbelen
Unidad 6 repaso de todo

Slide 11 - Slide

nieuwe stof - temas
experiencias de viajes
Unidad 7
8 t/m 12 TB

Slide 12 - Slide

Tekstboek p.67 
nr. 9a 
1.  We lezen hardop de ansichtkaart.
2. Vertaal samen de kaart.
3. Wat heeft Lucía in haar vakantie gedaan? (Maak opdracht 9a TB)

Nr. 9b p. 67:
¿Cuál es el infinitivo?
eerst uitleg vorm en gebruik 
Pretérito Perfecto ->>>>>>> 


 

Slide 13 - Slide

Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)
In het Nederlands gebruik je om de v.t.t. te maken het hulpwerkwoord hebben of zijn + voltooid deelwoord

Ik heb gewerkt.
Zij zijn naar het werk gegaan.

Slide 14 - Slide

Present Perfecto (v.t.t.)
 In het Spaans gebruik je om de v.t.t. te maken het
hulpwerkwoord haber + participio (= voltooid deelwoord)

He trabajado = Ik heb gewerkt
Han ido al trabajo  = Zij zijn naar het werk gegaan

 
dus niet: tengo trabajado

Slide 15 - Slide

voltooid deelwoord=

participio

   ww op -ar= ado    cant ado 

    ww op -er= ido    com ido   

 ww op -ir= ido       viv ido

let op:

het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord staan altijd bij elkaar!!!!!

hulp-ww

Haber:


he

has

ha

hemos

habéis

han

Slide 16 - Slide

Ejemplos
1. He visitado el museo.              Ik heb het museum bezocht.
2. ¿Has trabajado hoy?               Heb jij vandaag gewerkt?
3. Pablo no ha comido.                Pablo heeft niet gegeten
1. Hemos bebido vino.                 Wij hebben wijn gedronken.
2. ¿Habéis vivido en Cuba?       Hebben jullie in Cuba gewoond?
3. Han dormido mucho.              Zij hebben veel geslapen.
  

Slide 17 - Slide

Formas irregulares

Onregelmatige vormen 

(Zie paragraaf 7.4 p.126)


abrir - abierto
decir - dicho
hacer - hecho
poner - puesto
ver - visto
escribir - escrito
volver - vuelto
Ojo:
ir - ido
ser - sido
leer - leído



romper-roto
freír - frito

Slide 18 - Slide

Wanneer gebruik je de Perfecto? (1)
Voor gebeurtenissen in het verleden die een verband hebben met het heden. De Perfecto komt vaak voor in combinatie met  hoy, esta semana, este año, etc.
  • Hoy he trabajado mucho
  • Esta semana he aprendido mucho en la clase de español
  • Este año he viajado a Sevilla

Slide 19 - Slide

Wanneer gebruik je de Perfecto?
Voor gebeurtenissen waarvan het tijdstip niet van belang is. Vaak in combinatie met alguna vez, muchas veces, todavía (no), ya, (no)...nunca
  • ¿Alguna vez has probado el sushi?
  • Nunca he viajado a latinoamérica
  • Ya he terminado mis deberes

Slide 20 - Slide

Signaalwoorden
Op de dag zelf: hoy – vandaag; esta tarde – vanmiddag; despues de comer – na het eten.
Hoy he descansado todo el día. – Vandaag heb ik de hele dag gerust.
De tijd heeft nog verband met het heden: este mes – deze maand; este fin de semana – dit weekend.
Esta semana he trabajado mucho. – Deze week heb ik hard gewerkt.
Geen concrete tijdsaanduiding: ya – al; nunca – nooit; muchas veces – vaak.
Nunca he estado en Argentina. – Ik ben nog nooit in Argentinië geweest.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Tekstboek p.67 
nr. 9b en 10 a + b
Ga in gesprek met je buurman/vrouw
1. Stel de vragen van 10a.
De ander geeft antwoord, wissel af.

2. Presenteer daarna interessante informatie over je studiegenoot aan de rest van de groep
 

Slide 23 - Slide

Vamos a practicar

Slide 24 - Slide

¡A trabajar en grupos!
- Unidad 7
- WB oef. 17 en 18 ( Pretérito Perfecto)
-oef. 16 (presente irregular)
-WB oef. 23
- vul p. 76 WB in R&S

timer
15:00

Slide 25 - Slide

¡Vamos a hablar!
Vamos de viaje (a Sevilla) 
hacemos ejercicio 12 TB p. 68
¿Ya has comprado los billetes?
-Sí, los he comprado ya.

Maak een verslag in groepjes van je weekend (activiteiten die je wel of niet hebt gedaan afgelopen weekend). 
"Este fin de semana...."


Slide 26 - Slide

Deberes
  1. Maken oefeningen WB. U7 t/m opdracht 18+20+23
  2. Maken R&S U.7 pagina 76
  3. Maak de voca toets  modulo 4


Slide 27 - Slide