Bezittelijk voornaamwoord

Leerdoelen: Het bezittelijk voornaamwoord
- Ik kan een bezittelijk voornaamwoord (possessive pronoun) herkennen.
- Ik ken het verschil tussen: 
  • persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie, zij/ze) en 
  • bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn, haarons/onze, jullie, hun
1 / 37
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 1

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Leerdoelen: Het bezittelijk voornaamwoord
- Ik kan een bezittelijk voornaamwoord (possessive pronoun) herkennen.
- Ik ken het verschil tussen: 
  • persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie, zij/ze) en 
  • bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn, haarons/onze, jullie, hun

Slide 1 - Slide

Bezit = 
Het antwoord op de vraag: 
Van wie is het?   

Bezit = 
possesion, posesión, امتلاك   

Bezittelijk voornaamwoord
Possessive pronoun
van mij
van jou                                van hem
van haar
van ons
van jullie
van hen
                   
                                                         

Slide 2 - Slide

Bezittelijke voornaamwoorden (het-woord)
ik
jij/je
hij
zij/ze
u
wij/we
jullie
zij/ze
Het boek van mij is dik.
Het boek van jou is dik.
Het boek van hem is ...
Het boek van haar is ...
Het boek van u is ...
Het boek van ons is ...
Het boek van jullie is ...
Het boek van hen is ...
mijn boek (het)
jouw boek
zijn boek
haar boek
uw boek
ons boek
jullie boek
hun boek

Slide 3 - Slide

De-woord:    de fiets
ik                       mijn fiets 
jij/je                  jouw/je fiets
u                        uw fiets
zij/ze               haar/d'r fiets
hij                     zijn/z'n fiets
wij/we            onze fiets                                             onze fietsen     
jullie                jullie fietsen
zij/ze               hun fietsen

de fiets is van mij
de fiets is van jou
de fiets is van u
de fiets is van haar
de fiets is van hem
de fiets is van ons
de fietsen zijn van ons
de fietsen zijn van jullie
de fietsen zijn van hen

Slide 4 - Slide

Ik en jij / het boek 📖
Ik heb een boek. 
Het is mijn boek.           (my book)
Jij hebt een boek.
Het is jouw boek.            (your book)
Dit boek is van mij (mine). Dat boek is van jou (yours).
Dit boek is het mijne (mine). Dat boek het jouwe (yours).



Slide 5 - Slide

Hij en zij / het boek 📖
💁‍♂️ Hij heeft een boek. 
Het is zijn boek. 
💁‍♀️ Zij heeft een boek.
Het is haar boek.
Dit boek hier is van hem (his)Dat boek daar is van haar (hers).
Dit boek is het zijne (his). Dat boek is het hare (hers).



Slide 6 - Slide

Wij / het boek 📖 / de fiets 🚲
Wij hebben een boek. 
Het is ons boek. 
Wij hebben een fiets.
Het is onze fiets.
Dit boek is van ons (ours)Dit boek is het onze (ours)
Deze fiets is van ons (ours)Deze fiets is de onze (ours).



Slide 7 - Slide

Jullie en zij (pluralis) / het boek 📖
Jullie hebben een boek. 
Het is jullie boek. 
Zij hebben een boek.
Het is hun boek.
Dit boek is van jullie (yours)Dat boek is van hen (theirs).
Dit boek is 'het jullie' (= kan niet). Dat boek is het hunne (theirs).



Slide 8 - Slide

Waar schrijf je het bezittelijke voornaamwoord?
  •  ALTIJD voor het zelfstandig naamwoord (een ding of mens):   

  • Dat is mijn auto
  • Het is jouw huis
  • Het is jullie eten

Slide 9 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord

Is dit jouw pen?                                     Ja, dit is ........
Is dit mijn koffie?                                  Nee, dit is niet ...........
Is dit haar boek?
Is dit zijn tas?

Slide 10 - Slide

mijn
je/ jouw
zijn
haar
ons / onze 
jullie
hun
uw

Slide 11 - Slide

mijn / jouw?

Slide 12 - Slide

Ik heb dit boek al 2 jaar. Het is __ boek.
A
mijn
B
jouw

Slide 13 - Quiz

Waar woon jij? Wat is ____ adres?
A
mijn
B
jouw

Slide 14 - Quiz

ons / onze?
Onze bij de-woorden: de auto - onze auto - onze auto's
Ons bij het-woorden: het huis - ons huis - onze huizen

Slide 15 - Slide

Het zijn ____ paspoorten
A
ons
B
onze

Slide 16 - Quiz

Het zijn ____ fietsen
A
ons
B
onze

Slide 17 - Quiz

Het is ____ huis
A
ons
B
onze

Slide 18 - Quiz

Het is ____ formulier
A
ons
B
onze

Slide 19 - Quiz

zijn / haar?

Slide 20 - Slide

De jongen vergeet ___ boek op school.
A
haar
B
zijn

Slide 21 - Quiz

Zij wil ____ opa bellen. Hij is jarig!
A
haar
B
zijn

Slide 22 - Quiz

Ze heeft een fiets. Het is ____ fiets.
A
haar
B
zijn

Slide 23 - Quiz

alles door elkaar

Slide 24 - Slide

Hoe is het op ____ werk, Bram?
A
je
B
uw

Slide 25 - Quiz

Hebben Bart en Sara ____ huiswerk gemaakt?
A
hun
B
zijn

Slide 26 - Quiz

Ik heb ____ kinderen nog nooit gezien. Heb je een foto van ze?
A
mijn
B
jullie

Slide 27 - Quiz

Jij hebt een tas. Is dit ___ tas?
A
je
B
uw
C
jouw
D
u

Slide 28 - Quiz

Hebben Bart en Sara ____ huiswerk gemaakt?

A
onze
B
jullie
C
wij
D
hun

Slide 29 - Quiz

Hallo meneer, is dit ____ fiets?
A
je
B
uw
C
jouw
D
u

Slide 30 - Quiz

Jullie hebben les. Is dit ___ leslokaal?

A
jullie
B
hun
C
jouw
D
ons

Slide 31 - Quiz

Wij hebben vandaag les.
Kijk, dit is ___ school.

A
jullie
B
onze
C
mijn
D
ons

Slide 32 - Quiz

Maria is getrouwd. Dit is ___ man.

A
zijn
B
haar
C
mijn
D
onze

Slide 33 - Quiz

Slide 34 - Slide

De familieband (family ties)
Maria heeft 2 kinderen en 3 kleinkinderen.
Marieke is ___ dochter. Bas is ___ zoon. 
Ik heet Marieke: ___ broer heet Bas 
en ___ moeder is Maria. 
De moeder van Tom is Marieke. ___ broer heet Thijs.
Louisa is de kleindochter van Maria. ___ vader heet Bas. 
Tom en Thijs zijn de zonen van Marieke. ___ oma heet Maria.

Slide 35 - Slide

De familieband: de antwoorden
Maria heeft twee kinderen en drie kleinkinderen.
Marieke is haar dochter. Bas is haar zoon. 
Ik heet Marieke: Mijn broer heet Bas en mijn moeder is Maria. 
De moeder van Tom is Marieke. Zijn broer heet Thijs.
Louisa is de kleindochter van Maria. Haar vader heet Bas. 
Tom en Thijs zijn de zonen van Marieke. Hun oma heet Maria.

Slide 36 - Slide


Ik kan bezittelijke voornaamwoorden herkennen en 
op de goede manier gebruiken
😒🙁😐🙂😃

Slide 37 - Poll