AH2 Prefixes and Suffixes

Welcome AH2


Prefixes & suffixes
Recap

1 / 22
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welcome AH2


Prefixes & suffixes
Recap

Slide 1 - Slide

At the end of this class I...
  • ... can use prefixes and suffixes correctly.
  • ... can use most of the words I have learned so far correctly.

Slide 2 - Slide

Prefixes (zet je voor een woord)
non- / un- /  im- /  il- / ir- / in- 
Geven een woord een tegenovergestelde betekenis.

re- 
betekent opnieuw (again) of terug (back)

mis- / dis- 
geven een negatieve of tegenovergestelde betekenis aan een woord.

Slide 3 - Slide

Suffixes (zet je achter een woord)
-er
voor een persoon of ding die een een actie doet
teach - teacher / dance - dancer

-ment/ -ing
maakt van een werkwoord een zelfst naamwoord
achieve - achievement / draw - drawing

-ness
maakt van een bijwoord of bijv. naamwoord een zelfstandig naamwoord
happy - happiness / weak - weakness 

Slide 4 - Slide

- ness / - ing / -ment --> Wat komt er achter het woord?
state....

Slide 5 - Open question

- ness / - ing / -ment --> Wat komt er achter het woord?
ill....

Slide 6 - Open question

- ness / - ing / -ment --> Wat komt er achter het woord?
engage....

Slide 7 - Open question

- ness / - ing / -ment --> Wat komt er achter het woord?
drift....

Slide 8 - Open question


Where is the right prefix used?
A
imregular
B
inregular
C
irregular
D
nonregular

Slide 9 - Quiz

What comes before "sense"?
A
Non-
B
Un-
C
Ir-
D
Dis-

Slide 10 - Quiz

What comes for "appear"?
A
Un-
B
Dis-
C
Non-
D
Ir-

Slide 11 - Quiz

Hoe maak je van onderstaande woord een woord met een tegenovergestelde betekenis? (schrijf het hele woord op)

____appear

Slide 12 - Open question

- ness / - ing / -ment --> Wat komt er achter het woord? (schrijf het hele woord op en let op spelling)
happy.......

Slide 13 - Open question

- ness / - ing / -ment --> Wat komt er achter het woord? (schrijf het hele woord op en let op spelling)
argue.....

Slide 14 - Open question

Change the adjective 'weak' into a noun. Choose the correct suffix: -ness or -ment.

Slide 15 - Open question

Change the verb 'disappoint' into a noun. Choose the correct suffix: -ment or -ness.

Slide 16 - Open question

Choose the suffix that changes the verb 'develop' into a person that does the action.
A
-ment
B
-ness
C
-er

Slide 17 - Quiz


Where is the right prefix used?
A
ircomfortable
B
uncomfortable
C
imconfortable
D
noncomfortable

Slide 18 - Quiz

Choose the suffix that changes the verb 'buy' into a person that does the action.
A
-ing
B
-ment
C
-er

Slide 19 - Quiz

Change the verb 'build'. Add the prefix that means 'again'.

Slide 20 - Open question

Change the verb 'begin' into the product of the action. Choose the correct suffix -ment or -ing.

Slide 21 - Open question

1. I know what prefixes and suffixes are.
2. I can correctly form and use prefixes and suffixes.
😒🙁😐🙂😃

Slide 22 - Poll