Kapitel 5: Die Zukunft / Woche 1
Herzlich willkommen!
Du brauchst: dein Buch, Stift und dein Schnellhefter
Kapitel 5: Die Zukunft / Woche 1
Herzlich willkommen!
Du brauchst: dein Buch, Stift und dein Schnellhefter
PTD
Je kunt de woordenschat en de Spachmittel m.b.t. het thema Zukunft gebruiken.
Je kent de grammatica en kan deze toepassen:
Sterke werkwoorden met a en e in de stam in de tegenwoordige tijd.
Veel voorkomende sterke werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
Lesdoel:
Je kunt de woordenschat en de Spachmittel m.b.t. het thema Zukunft gebruiken.
Je kent minimaal 5 Duitse beroepen.
Je kunt in het Duits zeggen wat je wilt woorden en waarom.
Wie geht es dir?
Aufgabe 1
Luisteren:
Wat betekent in het Duits: “Wat wil je later worden?”
Je hebt een paar beroepen gehoord. Noem vier beroepen.
Schrijf bij het gekozen beroep een reden waarom ze dat beroep wilt worden.
Aufgabe 2
Wat ga je doen?
Je gaat een tekst lezen over wat leerlingen later willen worden.
Hoe?
Zelfstandig lezen en daarna de vragen beantwoorden.
Tijd:
10 minuten.
minute
second
Aufgabe 3
Slide tekst
Das habe ich gelernt:
Hausaufgabe
S.177, opdracht 2
Herzlich willkommen!
Woche 2: Die Zukunft
Wie geht es dir?
Hausaufgabe
S.177, opdracht 2
Lesdoel
Je begrijpt informaties over beroepen.
Je kent minimaal 10 woorden over het hoofdstuk 5 toekomst.
Je kunt vraag stelling en antwoord geven over toekomst.
Woordenschat
Slide tekst
Maak opdracht 7
Hulp: leeroverzichtlijst
Daarna: Leer de woorden actief!
Maak 4 zinnen gebruik woorden zoals:
Ich mache...
Ich möchte..
du möchtest.../willst
er/sie/ möchte.../will
habe.. hast...
Beispiel:
Ich mache ein Praktikum als Anwalt.
Afsluting:
Wat weet je al over sterke werkwoorden in het Duits
Leerdoel
Aan het eind van de les kun je sterke werkwoorden met a en e in de stam juist gebruiken en begrijp je belangrijke woorden en zinnen rond het thema 'toekomst'.
Wat zijn sterke werkwoorden?
Sterke werkwoorden veranderen van klinker in de stam bij vervoeging. Dit gebeurt vooral bij werkwoorden met a en e in de stam, zoals 'fahren' of 'sehen'.
Voorbeeld: werkwoorden met 'a' en 'e'
Voorbeeld: 'fahren' → ich fahre, du fährst, er/sie/es fährt.
Met 'a' in de stam
Met 'e' in de stam
Voorbeeld: 'sehen' → ich sehe, du siehst, er/sie/es sieht.
Woordenschat en Sprachmittel
Leer toekomstgerichte woorden en zinnen zoals: 'Ich möchte...', 'In der Zukunft...', 'Mein Traum ist...'.
Veel gebruikte sterke werkwoorden
Voorbeelden zijn: geben, nehmen, lesen, sprechen, beginnen. Deze komen vaak voor als je over de toekomst praat.
Oefenen: maak zelf zinnen
Gebruik tenminste één sterk werkwoord en een toekomstwoord in een zin. Voorbeeld: 'In der Zukunft fahre ich nach Berlin.'
Reflectie: wat heb je geleerd?
Kies een sterk werkwoord uit deze les en schrijf een korte zin over jouw toekomst. Kun je de vervoeging goed toepassen?
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.