2.4 Covalente bindingen

2.4 Covalente bindingen
1 / 24
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

2.4 Covalente bindingen

Slide 1 - Slide

Leerdoel
  • Je leert hoe moleculaire stoffen zijn opgebouwd.
  • Je leert om structuurformules te tekenen.
  • Je leert wat er gebeurd met moleculaire stoffen bij temperatuurveranderingen. 

Slide 2 - Slide

In deze les

  • Lezen pag 27 + 52 en 53
  • Uitleg covalente binding


  • Maken 26, 27, 29, 31, 32

Slide 3 - Slide

Wat weet je nog van covalente bindingen?

Slide 4 - Mind map

Moleculaire stoffen

  • Verbindingen die alleen uit niet-metaal atomen bestaan.
  • Ook wel 'moleculen' genoemd.
  • Voorbeelden: H2O, C2H6O, HCN, PCl3
  • Ontstaat door vorming van atoombindingen
  • Moleculen worden bij elkaar gehouden door vanderwaalsbindingen.

Slide 5 - Slide

Van der Waals krachten 
Aantrekkingskracht tussen de moleculen. 

Slide 6 - Slide

Van der Waals krachten 
Deze houden de moleculen bij elkaar. 
Hoe groter de moleculen, hoe sterker de van der waalskrachten zijn. 

Grote afstand tussen moleculen, is de kracht klein. 
Kleine afstand tussen de moleculen, dan is de kracht groot. 

Slide 7 - Slide

Atoommodel niet-metaal 
Niet-metaalatomen missen
elektronen in hun buitenste
schil (valentie-elektronen) om
te voldoen aan de edelgas-
configuratie.

Slide 8 - Slide

Atomen streven naar edelgasconfiguratie
Dit betekent dat ze evenveel elektronen in hun buitenste schil willen hebben als het dichtsbijzijnde edelgas.
  • Helium: 2 elektronen
  • Alle andere edelgassen: 8 elektronen

Slide 9 - Slide

Gedeeld elektronenpaar
Om edelgasconfiguratie te bereiken
  • kan een niet-metaal een elektron opnemen van een metaal (=zout, zie 2.4)
  • of delen twee niet-metaalatomen de elektronen: een gedeeld elektronenpaar, ook wel atoombinding of covalente binding genoemd.

Slide 10 - Slide

Atoombinding
  • Atoombinding is heel sterk.
  • Atoombinding verbreekt alleen bij chemische reacties,.
  • Hoeveel bindingen een niet-metaal aangaat, hangt af van de covalentie.
  • Covalentie geeft aan hoeveel elektronen gedeeld moeten worden om elektronenconfiguratie te bereiken.

Slide 11 - Slide

Covalentie

  • Geeft aan hoeveel elektronen gedeeld worden, dus hoeveel atoombindingen worden gevormd.
  • Eenvoudig af te lezen uit periodiek systeem.
  • Aantal elektronen erbij tot edelgas (groep 18) = covalentie.
  • Covalentie H=1, F=1, O=2 enz.

Slide 12 - Slide

Voorbeeld: waterstof
H heeft 1 valentie-elektron, wil er 1 elektron bij.
Covalentie = 1





Molecuulformule = H2             Structuurformule = H-H
H + H
H2

Slide 13 - Slide

Voorbeeld: zuurstof
O heeft 6 valentie-elektronen, wil er 2 bij. 
Covalentie = 2





Molecuulformule = O2                                        Structuurformule = O=O
O + O
O2

En die van H2O? 

Slide 14 - Slide

Wat is de covalente van koolstof (C)?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 15 - Quiz

Wat is de covalente van zwavel (S)?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 16 - Quiz

Hoeveel atoombindingen zitten er in een stikstofmolecuul?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 17 - Quiz

Fase-overgang

  • Bij een fase-overgang blijven de moleculen hetzelfde (atoombinding blijft intact).
  • De afstand tussen deeltjes veranderd -> Vanderwaalsbinding (molecuulbinding).
  • Hoe dichter op elkaar, hoe sterker  de V/d waalsbinding.

Slide 18 - Slide

Vanderwaalsbinding
  • Aantrekkingskracht tussen moleculaire stoffen (dus niet aanwezig bij metalen of zouten!)
  • Aanwezig door kleine ladingsverschillen in de moleculen (elektronen staan niet op vaste plaats, bewegen door schillen heen).
  • Relatief zwakke binding. 
  • Hoe groter de massa van het molecuul, des te sterker de vanderwaalsbinding.



Slide 19 - Slide

Waarom is de van der Waals kracht een zwakke binding?

Slide 20 - Mind map

Wat gebeurt er met de Vanderwaalsbinding als suiker wordt opgelost in thee.
A
verbreekt
B
wordt zwakker
C
wordt sterker
D
niets

Slide 21 - Quiz

Structuurformules
  1. Noteer de molecuulformule.
  2. Noteer de covalenties van de atomen.
  3. Zet het atoom met de hoogste covalentie centraal.
  4. Teken atoombindingen naar de andere atomen, zodat alle atomen de gewenste covalentie hebben.

Slide 22 - Slide

Teken de structuurformules van C2H6 en HCN.

Slide 23 - Open question

Aan de slag 

Gezamenlijk maken we opdracht 42. 
Maak daarna opdracht 35 t/m 41 en  43. 

Slide 24 - Slide