Les 26 18 april 2026 (VO2)

Les 26 18 april maart 2026 (VO2)
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary EducationAge 12

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 26 18 april maart 2026 (VO2)

Slide 1 - Slide

L26 Wat doen we vandaag? 

Welkom! 
1. Cursus 5 grammatica §12 zelfstandig, koppel en hulpwerkwoord in samengestelde zin.  
2. Herhalen Cursus 7 Spelling - werkwoordspelling §9 t/m §14  
3. Lesafsluiting. 
4. Toets in Nieuw Nederlands om 12.30u over Cursus 7 Spelling - werkwoordspelling §9 t/m §14.  



Slide 2 - Slide

Koningdag - Kleedjesmarkt 
vrijwilligers gevraagd voor verkoop snoep etc.  

Slide 3 - Slide

 Cursus 5 Grammatica

§ 12 WS Zelfstandig, koppel- en hulpwerkwoord in een samengestelde zin

Slide 4 - Slide

Zww, kww en hww
Kijk naar de volgende zin:
Lizzy fietst, maar Luca heeft naar school moeten lopen.

Welke werkwoorden herken je?
Zijn de werkwoorden zww, kww of hww?

Slide 5 - Slide

Welk woord is een koppelwerkwoord?
A
mag
B
loopt
C
strijken
D
is

Slide 6 - Quiz

Stappenplan
1. Maak van samengestelde zinnen eerst enkelvoudige zinnen:
- Lizzy fietst.
- Luca heeft naar school moeten lopen.

2. Stel het gezegde vast: werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?
Zin 1: wg = fietst. Zin 2: wg = heeft moeten lopen

3. Stel vast of de werkwoorden een zww, hww of kww zijn.
Zin 1: wg met één werkwoord. Fietst = zww
Zin 2: wg met meerdere werkwoorden. Heeft = hww, moeten = hww, lopen = zww

Slide 7 - Slide

Welk woord is het kww in de volgende zin:
Hoewel Noa de trein had gehaald, leek zij niet op tijd thuis te komen.
A
had
B
gehaald
C
leek
D
komen

Slide 8 - Quiz

Wat is het zww in de volgende zin:
Toen het buiten regende, kon Remco niet genieten van zijn tuin.
A
regende, kon
B
kon, genieten
C
kon
D
regende, genieten

Slide 9 - Quiz

VO2 herhaling Spelling par 11 (PV in samengestelde zin). 

Slide 10 - Slide

Hoeveel persoonsvormen staan er in deze zin?

Een narcis is een bolgewas dat gemakkelijk verwildert.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 11 - Quiz

Hoeveel persoonsvormen staan er in deze zin?

Toen hij hoorde dat zijn moeder ziek was, is hij direct naar huis gegaan.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 12 - Quiz

Herhalen Cursus 7 Spelling - werkwoordspelling §9 t/m §14

Slide 13 - Slide

Gebiedende wijs
In een zin in de gebiedende wijs staat geen onderwerp. De gebiedende wijs is hetzelfde als de ik-vorm van het werkwoord en die staat op de eerste plaats in de zin.

Slide 14 - Slide

Wat is de gebiedende wijs?
A
Wees eens rustig
B
Morgen kom je om 8 uur op school

Slide 15 - Quiz

Welk advies staat in de gebiedende wijs?
A
Je moet je wachtwoorden op je laptop opslaan.
B
Sla je wachtwoorden op op je laptop.
C
Wachtwoorden moet je altijd opslaan.

Slide 16 - Quiz


Welk zinsdeel mist bij de gebiedende wijs?
A
Persoonsvorm
B
Onderwerp
C
Lijdend voorwerp
D
Geen

Slide 17 - Quiz

Engelse werkwoorden

Slide 18 - Slide

Engelse werkwoorden 
Engelse werkwoorden vervoeg je hetzelfde als Nederlandse werkwoorden

Slide 19 - Slide

Engelse werkwoorden

Slide 20 - Slide

Engelse werkwoorden

Hij (lunchen-vt)
A
lunchte
B
lunchde
C
lunchtte
D
lunchdde

Slide 21 - Quiz

(Engelse werkwoorden)
Hij (barbecueën-vt)
A
barbecuedde
B
barbecuede
C
barbecuete
D
barbecuette

Slide 22 - Quiz

(Engelse werkwoorden)
Zij hebben (volleyballen)
A
gevolleybald
B
gevolleyballd

Slide 23 - Quiz

(Engelse werkwoorden)
Hij (daten-vt)
A
deette
B
date
C
datede
D
datete

Slide 24 - Quiz

Engelse werkwoorden
Hij heeft de bal over het net (smashen).
A
gesmasht
B
gesmashed
C
gesmashet
D
gesmashd

Slide 25 - Quiz

(Engelse werkwoorden)
Hij (racen-vt)
A
racte
B
racette
C
racde
D
racete

Slide 26 - Quiz

Cursus 7 Spelling: par 13. werkwoordstijden (VO2)


ott
ovt
vtt
vvt
maar nu ook toekomende tijd: ottt, ovtt, vttt, vvtt. 

Slide 27 - Slide

Werkwoordstijden
Het Nederlands kent acht werkwoordstijden
  • onvoltooid tegenwoordige tijd (ott): 
  • onvoltooid verleden tijd (ovt): 
  • voltooid tegenwoordige tijd (vtt): 
  • voltooid verleden tijd (vvt): 
  • onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (ottt): 
  • onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt):
  • voltooid tegenwoordig toekomende tijd (vttt):
  • voltooid verleden toekomende tijd (vvtt);

Slide 28 - Slide

Zo herken je de werkwoordstijden
1. Staat er een vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn in de zin? Ja? Dan is de zin voltooid. Schrijf een v op plaats 1 van de afkorting. Nee? Dan is de zin onvoltooid. Schrijf een o op de plaats van de afkorting.

2. Staat de persoonsvorm in de tegenwoordige of de verleden tijd? Schrijf een t of een v op de tweede plaats van de afkorting.

3. Staat er een vorm van zullen in de zin? Ja? Dan is de zin toekomend. Schrijf een t op de derde plaats van de afkorting. Nee? Dan is dat niet het geval. Laat de derde plaats van de afkorting open.
4. Schrijf op de laatste plaats de t van tijd

Slide 29 - Slide

voorbeeld:

Voorbeeld: hoe vind je de werkwoordstijd?

Zin: Jullie verhuizen naar Schiedam.

1. Er is geen hulpwerkwoord en geen voltooid deelwoord - dus onvoltooid -> letter o
2. In welke tijd staat de persoonsvorm = tegenwoordige tijd -> t
3. Er staat geen vorm van zullen in de zin -> geen letter op de 3e plek
4. Schrijf de letter t van tijd

De werkwoordstijd van deze zin is: ott (onvoltooid tegenwoordige tijd)

Slide 30 - Slide

Pierre kon heel goed koken.
A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
D
voltooid verleden tijd (vvt)

Slide 31 - Quiz

Verhuizen jullie naar Schiedam?

A
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
B
onvoltooid verleden tijd (ovt)
C
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
D
voltooid verleden tijd (vvt)

Slide 32 - Quiz

Lesafsluiting
Volgende week vieren we Koningsdag. We hebben dan een half uur eerder les (vanwege de spelletjes en de markt).   

Het huiswerk voor de komende week is: 
▪ Lees in je leesboek
▪  Cursus 5 Grammatica § 12, opdracht 1 en 2.  

Tot volgende week! 



  
  

Slide 33 - Slide

tegenwoordige tijd
ik : ik-vorm                                    zwem                      word
jij : ik-vorm + t                              zwemt                     wordt
hij/zij/het: ik-vorm + t              zwemt                     word
wij: infinitief                                 zwemmen             worden
jullie: infinitief                             zwemmen             worden
zij: infinitief                                  zwemmen              worden

Slide 34 - Slide

verleden tijd zwakke werkwoorden
ik : ik-vorm + de/te                      beloofde              bakte
jij : ik-vorm + de/te                      beloofde              bakte
hij/zij/het: ik-vorm + de/te      beloofde               bakte
wij: ik-vorm + den/ten               beloofden            bakten
jullie: ik-vorm + den/ten           beloofden            bakten
zij: ik-vorm + den/ten                beloofden             bakten

Slide 35 - Slide

Verleden tijd zwakke ww

verleden tijd van 'doden'? neem de ik-vorm: 
ik dood
en voeg dan toe: de(n) of te(n). Pas het 'k ex-kofschip toe om te kijken of het 'de(n)' of 'te(n)' is. 

Ik doodde 

Slide 36 - Slide

Stam eindigt op:

t-k-f-s-ch-p

dan te(n)



lachen

stam = lach

ik lachte

wij lachten








't(ex)Kofschip:

Verleden tijd van zwakke werkwoorden

Voltooid deelwoord


werken
stam = werk
ik werkte
wij werkten

reizen
stam = reiz (!)
ik reisde
wij reisden

Slide 37 - Slide

Sterke werkwoorden
Bij sterke werkwoorden verandert de klinker in de verleden tijd en eindigt het voltooid deelwoord op 
-en:

lezen - las - gelezen
lopen - liep - gelopen
helpen - hielp - geholpen
wijzen - wees - gewezen

Slide 38 - Slide

Voltooid deelwoord
De handeling is afgerond (= voltooid).

Er staat in de zin een hulpwerkwoord bij van "hebben", "zijn" of "worden".
Het heeft gevroren. Wij zijn gestart. Jullie worden gekozen.

Het voltooid deelwoord begint vaak met ge-.
Maar dat hoeft niet:
De muis werd verslonden. Hij heeft een programma ontwikkeld.


Slide 39 - Slide

Onvoltooid deelwoord
  • Onvoltooid = nog niet afgerond, nog bezig.
  • Geeft aan hoe iemand bezig is.
Ik wil juichend over de finishlijn gaan.
Huilend liep de leerling de klas uit.

  • Spelling: infinitief + d: lachen + d > lachend
Dansend, springend, fluisterend, nadenkend.

Slide 40 - Slide

Deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord
  • Van een vd en od kun je een bijvoeglijk naamwoord maken.
  • Gebruik de normale spellingsregels. Schrijf zo kort mogelijk.
  • Dus: alleen voor de uitspraak soms -dd of -tt.




  • Let op: vd op -en blijft op -en: gevouwen > het gevouwen blaadje


Slide 41 - Slide