CH1 Holliday times

Chapter 1: Holiday Times
1 / 56
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

This lesson contains 56 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Chapter 1: Holiday Times

Slide 1 - Slide

B Theme words
Check homework
Theme words 
Exercises

I cab use words about traveling and packing my suitcase

Slide 2 - Slide

Theme words
page 36; welke weet je al?

Slide 3 - Slide

Theme words
Page 38; welke weet je al?

Slide 4 - Slide

Woordjes leren, hoe doe je dat ook alweer: 

Schrijf de woordjes over
 Maak een mindmap
Maak flash-kaartjes
Laat je overhoren
Slim stampen

Aan de slag

1B theme words
Exercises 11 - 15
page 36- 38
Learn the words

Slide 5 - Slide

1D speaking& stones
Check homework
Theme words 
Exercises
Learn the words

I can talk about my holiday experiences and describe other people.

Slide 6 - Slide

Welk woord past in de zin:
The house is ______ the street
A
overside
B
across
C
abroad
D
destination

Slide 7 - Quiz

Welk woord past bij het plaatje
A
Rent
B
Wave
C
Sail
D
Raincoat

Slide 8 - Quiz

Welk woord past bij het plaatje
A
Toothbrush
B
Headphones
C
Toothpaste
D
luggage

Slide 9 - Quiz

Page 44
Opdracht 24a

Slide 10 - Slide

Page 44
Opdracht 24b

Slide 11 - Slide

Theme words
page 45; welke weet je al?

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Theme words
Nieuwe zinnen maken met de stones

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Woordjes leren:

Flitskaartjes maken
Woorden overschrijven (Engels en Nederlands)
Slim stampen

Aan de slag

1D Speaking & Stones
Exercises 24 & 26
page 45
Learn the words

Slide 17 - Slide

1E writing & Grammar
Nakijken
Uitleg Past simple


I can write about what happend in the past.

Slide 18 - Slide

Past Simple
Je gebruikt de Past Simple als iets gebeurd is in de verleden tijd en ook beëindigd is.

Wij noemen de Past Simple de Verleden Tijd.


Slide 19 - Slide

 Regelmatige werkwoorden (rww)

Achter het werkwoord plaats je 'ed'

I walk -> I walked
it rains-> it rained
they beg-> they begged

Slide 20 - Slide

 Regelmatige WW Spelling
Regelmatige werkwoorden: blijven hetzelfde
Als een werkwoord eindigt op -e, dan komt er in de past simple alleen een -d achter:
I live - I lived, you move - you moved

In de past simple wordt de laatste medeklinker verdubbeld als er één klinker voor staat:
I drop - I dropped, they plan - they planned

Slide 21 - Slide

 Regelmatige WW Spelling
Als een werkwoord eindigt op -y, dan komt er in de past simple een -ied achter:
I carry- I carried
you study- you studied

In de past simple komt er een -ed achter als er een klinker voor staat:
I play - I played

Slide 22 - Slide

Past Simple - Onregelmatige werkwoorden

Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en dat betekent dat ze geen '-ed' krijgen maar hun eigen vorm hebben.

to write  -> wrote    I wrote her a letter last week.
to go       -> went      He went to Italy last year.
to make -> made     They made a very nice meal two days ago.

Slide 23 - Slide

Past Simple - Onregelmatige WW
Er zijn geen regels voor de Onregelmatige WW, je moet ze uit je hoofd leren. Je pakt voor de Past Simple de 2e kolom.

see - saw - seen
come - came - come

Slide 24 - Slide

Regelmatige werkwoorden: 
ED toevoegen
als er al een E staat dan een D 
Eindigen op 1 klinker+ 1 medeklinker dan voeg je een medeklinker + ED 
Eindigen met Y dan verander je het in IED
Onregelmatige werkwoorden:
LEREN
Aan de slag: 

1E writing & grammar
Opdracht 31 en 32
Blz 4 t/m 51
Woorden leren 
Blz 70-72

Slide 25 - Slide

1H speaking &stones
Herhalen woorden/ grammar
Nakijken listening
Uitleg speaking
Aan de slag

You can talk about what happend and what you like and dislike about a holliday

Slide 26 - Slide


Wat is de Past Simple van work
A
works
B
worked
C
working
D
work

Slide 27 - Quiz


Wat is de Past Simple van help
A
helping
B
helped
C
helps
D
help'd

Slide 28 - Quiz


Wat is de Past Simple van study
A
studyd
B
studyied
C
studyed
D
studied

Slide 29 - Quiz


Wat is de Past Simple van buy
A
buyed
B
bought
C
boughd
D
bught

Slide 30 - Quiz


I ..... a sandwich yesterday.
A
eat
B
drink
C
drank
D
ate

Slide 31 - Quiz

Slide 32 - Slide

Page 60
Stone 2

Slide 33 - Slide

Page 61
Stone 3

Slide 34 - Slide

Page 62
THe weather

Slide 35 - Slide

Woordjes leren:

Flitskaartjes maken
Woorden overschrijven (Engels en Nederlands)
Slim stampen
Aan de slag

1H
Maken opdracht 51
Blz 62
Woordjes en stones leren
Blz 70-72

Slide 36 - Slide

Past Simple 
Nakijken 1H
Uitleg 1I
I can ask questions about the past and write about what didn’t happen.


Slide 37 - Slide

Past Simple
Feiten, gewoonten. 
In het verleden gebeurd, nu helemaal klaar.
I work
I worked yesterday

Slide 38 - Slide

Er zijn twee soorten werkwoorden:

hoofdwerkwoorden, zoals walk / work / drive

hulpwerkwoorden, zoals can / should / may/ do

Slide 39 - Slide

Ezelsbruggetje
Na can, may, must, shall, will en do
komt een werkwoord zonder to.

Slide 40 - Slide

Did

Slide 41 - Slide

Vragen in de past simple
Vragen 
= 
Did + onderwerp + hele werkwoord

Slide 42 - Slide

Vragen in de past simple
Vragen 
= 
Did + onderwerp + hele werkwoord
Peter worked yesterday.
Did Peter work yesterday?

Slide 43 - Slide

I walked to school yesterday

Slide 44 - Slide

Was/ were/ could

was/were + onderwerp

He was a great dancer.
Was he a great dancer?

Slide 45 - Slide

I walked to school yesterday
Did I walk to school yesterday?

Slide 46 - Slide

She was very happy last week.

Slide 47 - Open question

She was very happy last week.
Was she very happy last week?

Slide 48 - Slide

Wh woorden
wanneer je een vraag stelt met when, where, how of why dan komt dat woord vooraan

WH woord + was/ were/could + onderwerp

Slide 49 - Slide

WH woorden
  • She is walking

  • Where was she walking yesterday

Slide 50 - Slide

Ontkennend
Did not
Didn't

Slide 51 - Slide

Ontkenning in de past simple
  • onderwerp + did not + hele werkwoord

  • Peter walked

  • Peter did not walk

Slide 52 - Slide

Slide 53 - Slide

Slide 54 - Video

Did is verleden tijd dus ww moet in tegenwoordige tijd.
active
negative
We walked to school.
We did not walk to school.
She drank from her bottle
She did not drink from her bottle.
The doctor cured his patient.
The doctor did not cure his patient.

Slide 55 - Slide

Woordjes leren:

Flitskaartjes maken
Woorden overschrijven (Engels en Nederlands)
Slim stampen
Aan de slag

1I Writing 
Maken 56 t/m 59a
Blz 65/ 66
Leren Gram/ stones

Slide 56 - Slide