4 introductieles Leesvaardigheid
Welkom
ga rustig zitten
Werkboek en etui op tafel
Heb je leesboek bij je?
4 introductieles Leesvaardigheid
Welkom
ga rustig zitten
Werkboek en etui op tafel
Heb je leesboek bij je?
Hoe kies je een leesboek? A of B
Mijn leesboek heeft....
A. 80 - 120 bladzijden
B. Meer dan 100 bladzijden
Hoe kies je een leesboek? A of B
Mijn leesboek heeft....
A. Een voorkant die mij duidelijk maakt waar het boek over gaat
B. Een voorkant maakt voor mij niet uit.
Hoe kies je een leesboek? A of B
Mijn leesboek gaat....
A. Over een verhaal dat mij boeit en waar ik van af weet
B. Over een verhaal dat nieuw voor mij is en waar ik niet van weet.
Zoek een leesboek en lees 10 minuten
Heb je al een leesboek, ga daar dan rustig uit lezen.
minute
second
Een paar vragen vooraf A of B?
Het gevaar van niet goed kunnen lezen is ....
A. Werkloosheid, lage lonen en minder carrièrekansen.
B. Slechte gezondheid, het nieuws niet begrijpen, oplichting.
Een paar vragen vooraf. A of B?
In hoeveel procent van de banen moet je goed kunnen lezen en schrijven.
A. 60%
B. 80%
Een paar vragen vooraf. A of B?
Bij welk vak heb je lezen en schrijven nodig?
A. Nederlands, Engels en Wiskunde
B. Alle vakken
Een paar vragen vooraf. A of B?
Hoe verbeter je je leesvaardigheid het beste?
A. Door veel boeken te lezen.
B. Door veel te lezen.
4 introductieles - Leesvaardigheid - vandaag
- Uitleg over Schoolexamen en Centraalexamen leesvaardigheid.
4 introductieles - Leesvaardigheid
Leesvaardigheid wordt digitaal getoetst op het Centraal Examen (CE). Je moet een aantal teksten lezen en daarover krijg je vragen.
Dit jaar is er voor het eerst een SE Leesvaardigheid. Dit SE maak je op papier.
We oefenen het dan ook het hele jaar door. Hiervoor gebruiken we teksten uit eerdere examens, maar ook teksten uit je werkboek.
4 introductieles - Leesvaardigheid - blz. 11
Veel vragen in het CE zijn meerkeuzevragen. Je moet dan kiezen uit een aantal antwoorden, meestal vier.
Zo pak je dat aan.
Lees de vraag.
Lees het gedeelte van de tekst waar de vraag over gaat.
Bedenk zelf het antwoord. Kijk daarna of jouw antwoord bij de antwoorden staat.
Staat jouw antwoord er niet bij? Kies dan het antwoord dat er het meest op lijkt.
Twijfel je over een antwoord? Streep dan de antwoorden weg die zeker fout zijn. Kies het beste van de andere antwoorden.
Twijfel je nog steeds? Kies het antwoord dat het eerst bij je opkwam.
Weet je het antwoord echt niet? Ga dan verder met de volgende vragen. Beantwoord aan het eind de vragen die je hebt overgeslagen.
Vul altijd een antwoord in. Als je niets invult, is je antwoord zeker fout.
4 introductieles - Leesvaardigheid - blz. 11
In het CE maak je soms ook andere soorten vragen:
Bij sommige vragen moet je een tabel invullen. Zorg dat je bij elk onderdeel een vakje invult. Je krijgt het punt alleen als je alle vakjes juist hebt ingevuld.
Bij sommige vragen moet je een zin uit de leestekst aanklikken. De zinnen waaruit je kunt kiezen, zijn gekleurd in de tekst.
Sommige vragen zijn open vragen. Dan moet je een antwoord geven in je eigen woorden of je moet een zin uit de tekst letterlijk overnemen.
4 Leesvaardigheid - aan de slag
Lees de (leerteksten) en maak de opdrachten 3 t/m 6 blz. 9 t/m 12.
4 Leesvaardigheid - aan de slag
Lees de (leerteksten) en maak de opdrachten 3 t/m 6 blz. 9 t/m 12.
Afsluiten
Zijn er nog vragen?
Boek terug in de kast
Stoel aanschuiven
Tot de volgende keer
Weet je het nog? Tekstdoelen - blz. 47
Weet je het nog? Tekstverbanden en signaalwoorden - blz. 48
Weet je het nog? Tekstverbanden en signaalwoorden blz. 48
Even oefenen met één tekst
Je krijgt één tekst en 8 vragen uit een examen.
Maak de vragen in alle rust volgens het stappenplan.....
De antwoorden bespreken we daarna.
4 introductieles - Leesvaardigheid - blz. 11
Veel vragen in het CE zijn meerkeuzevragen. Je moet dan kiezen uit een aantal antwoorden, meestal vier.
Zo pak je dat aan.
Lees de vraag.
Lees het gedeelte van de tekst waar de vraag over gaat.
Bedenk zelf het antwoord. Kijk daarna of jouw antwoord bij de antwoorden staat.
Staat jouw antwoord er niet bij? Kies dan het antwoord dat er het meest op lijkt.
Twijfel je over een antwoord? Streep dan de antwoorden weg die zeker fout zijn. Kies het beste van de andere antwoorden.
Twijfel je nog steeds? Kies het antwoord dat het eerst bij je opkwam.
Weet je het antwoord echt niet? Ga dan verder met de volgende vragen. Beantwoord aan het eind de vragen die je hebt overgeslagen.
Vul altijd een antwoord in. Als je niets invult, is je antwoord zeker fout.
4 introductieles - Nederlands waarom?
Sterker communiceren
praten en schrijven = zelfverzekerd overkomen
Kans op toekomst
Goede taal = meer kans op werk, opleiding of stage
Snap wat er gebeurt
Nieuws, brieven, regels: snap wat er echt staat. bekijk dingen kritisch
Omgaan met anderen
iemand écht begrijpen. Ruzies voorkomen. jezelf goed uiten.
4 introductieles - PTA LJR4 Nederlands
4 introductieles - Nederlands waarom?
Sterker communiceren
praten en schrijven = zelfverzekerd overkomen
Kans op toekomst
Goede taal = meer kans op werk, opleiding of stage
Snap wat er gebeurt
Nieuws, brieven, regels: snap wat er echt staat. bekijk dingen kritisch
Omgaan met anderen
iemand écht begrijpen. Ruzies voorkomen. jezelf goed uiten.
4 introductieles - PTA LJR4 Nederlands
4 introductieles - planning
SE Week 1 : 13-17 oktober Mondelinge spreekvaardigheid (VLOG)
SE Week 2 : 1 - 5 december Kijk- en Luistervaardigheid
SE Week 3 : 2 - 6 februari '26 Schrijfvaardigheid
SE Week 4 : 23 -27 maart'26 Gespreksvaardigheid (Podcast)
Het hele jaar door oefenen we met Leesvaardigheid en schrijfvaardigheid (Spelling en Grammatica.
4 introductieles - volgende les
Uitleg over Vlog
Denk thuis vast na over een leesboek (fictie) voor je vlog.
Het hele jaar door oefenen we met Leesvaardigheid en schrijfvaardigheid (Spelling en Grammatica.
4 introductieles -
Wat weten we eigenlijk van elkaar!
2 personen voor het bord (zij mogen niet naar het bord kijken)
Op het bord staat een opdracht voor de klas.
Ben je het eens met de opdracht dan ga je staan.
Weten de 2 personen waarom die personen staan?
Is een antwoord goed, dan gaat 1 persoon zitten, en komt er een nieuw persoon voor in de plaats.
Ga staan als .....
.... je thuis een kat hebt.
Ga staan als .....
... je het weekend naar het strand bent geweest.
Ga staan als .....
... je vorig jaar nooit in het 'straflokaal' hebt gezeten.
Ga staan als .....
... je wiskunde lastig vindt
Ga staan als .....
... je vandaag met een fatbike naar school bent gekomen.
Ga staan als .....
... minimaal 1 keer per week bij de Mac komt.
Ga staan als .....
... je vegetariër bent.
Ga staan als .....
... je een familielid hier op school hebt.
Ga staan als .....
... je weet welke vervolgopleiding je wilt doen.
Ga staan als .....
... je wil stoppen met vapen/roken.
Ga staan als .....
... je in het Westland woont.
Ga staan als .....
... je je telefoon in je kluisje hebt.
Ga staan als .....
... je op hockey zit.
Ga staan als .....
... je meer dan 20 uur in de week aan het gamen bent.
Ga staan als .....
... je in de zomervakantie had afgesproken met iemand uit je klas.
Ga staan als .....
... je in de vakantie een boek hebt gelezen.
Ga staan als .....
... je in de vakantie een boek hebt gelezen.