Paragraaf 1.1 - Stoffen in huis

Opdrachten maken
Wat: lees paragraaf 1.1 en maak de opdrachten: opdracht 13 en 14 hoeven niet (mag wel)  
Hoe: helemaal stil! 
Hulp: Boek; hierin vind ja alle informatie
Tijd:  ???? minuten lang   
Huiswerk: opdrachten 7 tm 12 van paragraaf 1.1 & Test jezelf  online
Klaar?: steek je hand op voor het nakijken
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Opdrachten maken
Wat: lees paragraaf 1.1 en maak de opdrachten: opdracht 13 en 14 hoeven niet (mag wel)  
Hoe: helemaal stil! 
Hulp: Boek; hierin vind ja alle informatie
Tijd:  ???? minuten lang   
Huiswerk: opdrachten 7 tm 12 van paragraaf 1.1 & Test jezelf  online
Klaar?: steek je hand op voor het nakijken

Slide 1 - Slide

Hoe zijn flessen met gevaarlijke stoffen vaak beveiligd?
A
met schroefdop
B
met kindvriendelijke dop
C
met een beugeldop

Slide 2 - Quiz

1.1 Stoffen in huis

Slide 3 - Slide

Leerdoelen van paragraaf 1.1
• Je kunt vier stofeigenschappen noemen die gebruikt worden om stoffen te herkennen. 
• Je kunt per stofeigenschap enkele voorbeelden geven. 
• Je kunt uitleggen in welke gevallen een stof gevaarlijk kan zijn. 
• Je herkent gevarensymbolen. (plusstof)

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Sommige stoffen kunnen de slijmvliezen van je neus en longen irriteren. Ruik dus heel voorzichtig: haal de dop van de fles, wuif met je hand boven de hals heen en weer en snuif een beetje van de damp op Zo voorkom je dat je te veel van een irriterende stof binnen krijgt.

Slide 6 - Slide

Stoffen ordenen
Eigenschappen waaraan je stoffen kunt herkennen, noem je stofeigenschappen.  Voorbeelden van stofeigenschappen zijn: 
• geur: alcohol heeft een andere geur dan benzine. 
• kleur: koper is rood-oranje, goud is geel, lood is grijs. 
• smaak: suiker smaakt zoet, keukenzout smaakt zout. 
• brandbaarheid: benzine is brandbaar, water niet. 
 
Als je stoffen opbergt, mag je ze niet zomaar bij elkaar zetten. Meestal zet je stoffen met dezelfde toepassing bij elkaar. Toepassing betekent waar je een stof voor gebruikt. Zo krijg je groepen stoffen, zoals voedingsmiddelen, medicijnen, schoonmaakmiddelen en brandstoffen

Slide 7 - Slide

Wat is een stofeigenschap van benzine?
A
temperatuur
B
prijs
C
brandbaarheid
D
hoeveelheid

Slide 8 - Quiz

Welke van de volgende eigenschappen is een stofeigenschap?
A
geur
B
kleur van de verpakking
C
merk
D
temperatuur

Slide 9 - Quiz

Om een stof te herkennen, kun je:
A
naar de kleur kijken
B
naar de grootte kijken
C
voelen of de stof warm is
D
kijken naar de vorm

Slide 10 - Quiz

Wat is een stofeigenschap van suiker?
A
smaak
B
vorm
C
gewicht
D
verpakking

Slide 11 - Quiz

Welke van de volgende eigenschappen is een stofeigenschap?
A
vloeibaar
B
kleur
C
prijs per kilo
D
land van herkomst

Slide 12 - Quiz

Op een fles staat dat er 80% alcohol in zit. Het flesje is al een tijdje geleden opengemaakt.
Hoe kun je vast stellen dat er ook echt alcohol in zit?
A
voelen hoe zwaar het is
B
voorzichtig ruiken
C
kijken hoeveel het heeft gekost
D
het merk dat op het flesje staat op zoeken op het internet

Slide 13 - Quiz

In een fles zit een heldere, kleurloze vloeistof met een sterke geur.
Om welke stoffen zou het kunnen gaan?
A
suikeralcohol
B
olijfolie
C
jodium
D
alcohol

Slide 14 - Quiz

Hoe kun je sinaasappelsap en thee van elkaar onderscheiden?
Kies alle goede antwoorden.
A
kleur
B
gewicht
C
geur
D
brandbaarheid

Slide 15 - Quiz

Hoe kun je plastic en glas van elkaar onderscheiden?
A
brandbaarheid
B
gewicht
C
geur
D
kleur

Slide 16 - Quiz

Gevaarlijke stoffen

Een stof kan op meerdere manieren gevaarlijk zijn: 
• als je de stof inademt; 
• als je de stof inslikt; 
• als je de stof op je kleren, op je huid of in je ogen krijgt; 
• als je met vuur bij de stof komt; 
• als je de stof mengt met een andere stof.

Slide 17 - Slide

Gevarensymbool of 
Pictogrammen

Slide 18 - Slide

Om aan een onbekende vloeistof in een fles te ruiken moet je eerst over de hals heen wuiven met je hand.
Arne zegt dat je dit moet doen om zo veel mogelijk van de stof te ruiken.
Fatima is het niet met Arne eens. Zij zegt dat je dit zo doet om voorzichtig te ruiken.
Wie heeft gelijk?
A
Arne en Fatima hebben allebei gelijk
B
Arne heeft gelijk, Fatima heeft ongelijk
C
Arne heeft ongelijk, Fatima heeft gelijk
D
Arne en Fatima hebben allebei ongelijk

Slide 19 - Quiz

Wat moet je doen om een kindveilige dop te openen?
A
aan de dop trekken en dan losdraaien
B
in de dop knijpen en dan losdraaien
C
eerst de dop stevig indrukken en dan losdraaien
D
de dop in de andere richting opendraaien

Slide 20 - Quiz

Wat betekend het gevarensymbool hiernaast?
A
giftig
B
Licht ontvlambaar
C
Irriterend
D
corrosief

Slide 21 - Quiz

Huiswerk
 
Huiswerk: opdrachten 11 en 12 van H2.1 & Test jezelf  online 

Lees blz 57 t/m 59 van H2.3  Maak opgave 1 t/m 5 van H 2.3

Slide 22 - Slide