Paragraaf 1.4 - Meten

1.4 Meten
1 / 25
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 5 min

Items in this lesson

1.4 Meten

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
1.4.1 Je kunt van een aantal meetapparaten uitleggen waarvoor je ze gebruikt.
1.4.2 Je kunt het verschil uitleggen tussen analoge en digitale meetapparatuur.
1.4.3 Je kunt beschrijven wat een grootheid en wat een eenheid is.
1.4.4 Je kunt enkele meetapparaten aflezen.
1.4.5 Je kunt enkele eenheden naar elkaar omrekenen.

Slide 2 - Slide

Introductie
Soms wil je precies weten hoe ‘zwaar’ iets is. Met je zintuigen kun je dat niet precies bepalen. Je moet het dan meten met een weegschaal.

Slide 3 - Slide

Meetapparatuur




Bij natuurkunde en scheikunde moet je heel precies zijn, maar je zintuigen zijn niet precies. Daarom gebruik je bij nask vaak meetapparatuur. Meetapparatuur is gereedschap om te meten.

Een klok, een liniaal en een weegschaal zijn voorbeelden van meetapparatuur (afbeelding 1).
• Hoelang iets duurt, meet je met een klok.
• Hoe lang iets is, meet je met een liniaal.
• Hoe warm het is, meet je met een thermometer.
• Hoeveel iets weegt, meet je met een weegschaal.

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Noteer drie voorbeelden van meetapparatuur.

Slide 6 - Open question

Analoog en digitaal





In afbeelding 2 zie je twee thermometers. De oventhermometer (afbeelding 2a) heeft een wijzer die draait langs een plaat met streepjes en getallen. Dit is de schaalverdeling. Meetapparaten met een wijzer en een schaalverdeling noem je analoog. De koortsthermometer (afbeelding 2b) heeft cijfers op een schermpje. Een meetapparaat met cijfers op een scherm noem je digitaal.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Bekijk afbeelding
Is deze klok analoog?
Leg uit waaraan je dat kunt zien.

Slide 9 - Open question

Grootheid en eenheid


Je zegt niet: “Ik ben met dit werkstuk 12 bezig geweest.” Je zegt: ‘12 minuten’ of ‘12 uur’ of ‘12 dagen’. De woorden achter 12 noem je de eenheid. De eenheid is de hoeveelheid of maat waarin je iets meet. De eenheid geeft het getal een betekenis.

 

Bij tijd kun je verschillende eenheden gebruiken. Bijvoorbeeld minuten, uren, dagen of weken. Dit zijn allemaal eenheden van tijd. Lengte heeft ook zijn eigen eenheden. Zo is de lengte van Melissa 154 centimeter. En is de lengte van het schoolplein 30 meter.

Tijd en lengte zijn de dingen die je meet. Tijd en lengte zijn voorbeelden van grootheden. Een grootheid is een eigenschap die je meet. Iedere grootheid heeft zijn eigen eenheden.

Slide 10 - Slide

Tijd meten

Als je wilt weten hoe laat het is, dan kijk je op de klok. Een klok is een meetapparaat om de tijd te meten. Je kunt ook meten in hoeveel tijd je een afstand loopt. Dan gebruik je een stopwatch of een stopklok (afbeelding 3). Op een stopklok zitten knoppen. Met de groene knop kun je de klok starten. Met de rode knop kun je de klok stoppen. Met de zwarte knop zet je de wijzers op nul. Op een stopwatch zitten knoppen waarmee je hetzelfde kunt doen.
Veelgebruikte eenheden van tijd zijn: seconde (s), minuut (min) en uur (h).

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Het aflezen van een analoge stopwatch is moeilijker dan het aflezen van een digitale
stopwatch.
Bekijk afbeelding 8. Lees de tijd af van de stopwatch

Slide 13 - Open question

Lengte meten

Je kunt meten hoe lang iets is. Om lengte te meten, gebruik je meetapparatuur (afbeelding 4). Gebruik het apparaat dat het best past bij de lengte die je gaat meten.
Om de lengte van een lijn te meten, gebruik je een liniaal. Leg de nul van de liniaal bij het begin van de lijn (afbeelding 5). De lijn is precies 4 centimeter lang. De lengte is de grootheid, centimeter (cm) is de eenheid.
Met een liniaal kun je ook nauwkeuriger meten. Je meet dan in millimeter (mm).
1 cm = 10 mm.
Om van millimeter naar centimeter te gaan, moet je delen door 10.
1 mm = 0,1 cm

Slide 14 - Slide

Wil je de lengte van het schoolplein meten, dan gebruik je een meetlint. Je meet het schoolplein in meters (m). Meter is ook een eenheid van lengte. Bijvoorbeeld: het schoolplein is 20 m lang.


Grote afstanden meet je in kilometer (km). 1 km = 1000 m. Om van kilometer naar meter te gaan, moet je vermenigvuldigen met 1000. Andersom, als je van meter naar kilometer gaat, moet je delen door 1000. Dus 45 000 m = 45 km.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Om van millimeter naar centimeter te gaan, moet je.................
A
vermenigvuldigen met 10
B
delen door 100
C
vermenigvuldigen met 100
D
delen door 10

Slide 18 - Quiz

250 cm =
A
25 m
B
25 dm
C
2,5 dm
D
2,5 m

Slide 19 - Quiz

11,3 km = .............
A
1130 m
B
11300 m
C
11300 cm
D
1130 cm

Slide 20 - Quiz

Massa en volume

Met een weegschaal kun je de massa van een voorwerp of van een hoeveelheid stof bepalen. De massa is de hoeveelheid stof in gram (g) of kilogram (kg). Voorwerpen met een grote massa zijn zwaar, voorwerpen met een kleine massa zijn licht.

 Bij natuurkunde en scheikunde zeg je dus niet: ‘het gewicht wegen’, maar je zegt ‘de massa meten’. Je gaat bij nask nog leren dat gewicht iets anders is dan massa.

Slide 21 - Slide

Cola is een vloeistof. Je kunt meten hoeveel cola in een glas zit. Je meet dan het volume van de cola. Het volume is de ruimte die een vloeistof of een voorwerp inneemt.
Het volume meet je in liter (L) of milliliter (mL). Dit zijn eenheden van volume. In hoofdstuk 2 Stoffen leer je meer over massa en volume.

Slide 22 - Slide

Bij natuurkunde en scheikunde spreek je nooit over het gewicht van een product. Daar
heb je het over een .................. van een product.

Slide 23 - Open question

Wat wordt bedoeld met het volume van een voorwerp?

Slide 24 - Open question

Opdrachten
Wat: lees paragraaf 1.4
Huiswerk: opdrachten 1 t/m 15 van paragraaf 1.4 & Test jezelf
Hoe: helemaal stil! muziek mag in!
Hulp: Geen
Tijd: 50 minuten lang
Klaar?: ga bezig met een ander vak! 

Slide 25 - Slide