3HV, ch.1: Grammaire ww op -RE

Grammaire 3HV
Ch. 1, H

1 / 17
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

Grammaire 3HV
Ch. 1, H

Slide 1 - Slide

Paragraphe H
Le verbe / werkwoord op -re

Slide 2 - Slide

Soorten werkwoorden
Jullie hebben in klas 1 en 2 meerdere werkwoorden geleerd. Regelmatige en onregelmatige werkwoorden.

Slide 3 - Slide

Noem 4 regelmatige
ww (de infinitief)

Slide 4 - Mind map

Noem 4 onregelmatige
ww (de infinitief)

Slide 5 - Mind map

Regelmatige ww op -re (1)
Je kent dus al regelmatige ww op -er. 
Dit is een nieuwe groep ww!  Bijv.:
vendre (= verkopen)
perdre (= verliezen)
répondre (= antwoorden)
attendre (= wachten)
entendre (=horen)
rendre (=teruggeven)

Slide 6 - Slide

Combine les verbes!
attendre
entendre
perdre
rendre
répondre
vendre
antwoorden
horen
teruggeven
verliezen
verkopen
wachten (op)

Slide 7 - Drag question

Regelmatige ww op -re (2)
VENDRE (= verkopen)   - Présent = o.t.t.                         
Je vends
Tu vends
Il/elle/on vend
Nous vendons
Vous vendez
Ils/elles vendent
Attention! Twee regels:
1) STAM = hele ww - RE
2) STAM+ UITGANG

Slide 8 - Slide

Kies de goede vorm van het ww.

Tu (vendre, présent) ta maison.
A
vends
B
vend
C
vendons
D
vendez

Slide 9 - Quiz

Kies de goede vorm van het ww.

Paul (attendre, présent) ses parents.
A
attends
B
attend
C
attendons
D
attendent

Slide 10 - Quiz

Kies de goede vorm van het ww.

Vous (répondre, présent) au mail.
A
réponds
B
réponds
C
répondons
D
répondez

Slide 11 - Quiz

Kies de goede vorm van het ww.

Les enfants (perdre, présent) le match.
A
perds
B
perd
C
perdez
D
perdent

Slide 12 - Quiz

Regelmatige ww op -re (3)
VENDRE (= verkopen)   - Passé composé = v.t.t.

J'ai vendu                             Ik heb verkocht
Elle a répondu                    Zij heeft geantwoord
Nous avons attendu        Wij hebben gewacht

Wat gebeurt er hierboven? Wat is de regel volgens jou?

Slide 13 - Slide

Zet in de juiste vorm.
Tu (répondre, passé composé)

Slide 14 - Open question

Zet in de juiste vorm.
Max (rendre, passé composé) le livre.

Slide 15 - Open question

Zet in de juiste vorm.
Vous (perdre, passé composé).

Slide 16 - Open question

Slide 17 - Link