Die, deze, dit en dat
Die, deze, dit en dat
Open met herkenbare taal uit de klas: wijs iets aan dat dichtbij staat en iets dat verder weg staat. Koppel dat meteen aan de vier woorden van de les.
Lesdoel
Ik kan deze, die, dit en dat op de juiste manier kiezen.
This item has no instructions
Twee dingen zijn belangrijk
Bij deze, die, dit en dat kijk je naar twee dingen:
Is het een de-woord of een het-woord?
Is het dichtbij of ver weg?
Met die twee keuzes vind je het juiste woord.
Leg uit dat leerlingen niet alles tegelijk hoeven te onthouden. Eerst lidwoord, daarna afstand.
Bij de-woorden
Een de-woord krijgt:
deze → dichtbij
die → ver weg
Voorbeelden:
de stoel → deze stoel / die stoel
de jas → deze jas / die jas
Noem extra voorbeelden als de tafel, de deur, de fiets. Houd steeds dezelfde volgorde aan: eerst het zelfstandig naamwoord, dan dichtbij/ver weg.
Bij het-woorden
Een het-woord krijgt:
dit → dichtbij
dat → ver weg
Voorbeelden:
het boek → dit boek / dat boek
het raam → dit raam / dat raam
Benadruk dat leerlingen hier vaak per ongeluk deze of die gebruiken. Laat horen dat dit/dat bij het-woorden hoort.
Het schema
de-woord + dichtbij → deze
de-woord + ver weg → die
het-woord + dichtbij → dit
het-woord + ver weg → dat
Dit is het kernschema van de les. Neem tijd om het hardop samen te lezen.
Dichtbij en ver weg
Dichtbij betekent: hier, bij mij, vlakbij.
Ver weg betekent: daar, verder weg, verderop.
Daarom zeg je:
deze tas hier
die tas daar
dit boek hier
dat boek daar
Gebruik gebaren: wijs dichtbij jezelf en daarna verder in het lokaal. Zo koppelen leerlingen vorm aan betekenis.
Kijk eerst naar het woord
Stap 1: Is het een de-woord of een het-woord?
Stap 2: Is het dichtbij of ver weg?
Dan kies je het goede woord.
Model hardop: 'boek = het-woord, boek ligt hier, dus dit boek'.
Welk woord past bij een het-woord dichtbij?
die
dit
deze
dat
Controleert het kernschema: het-woord + dichtbij = dit.
Kies het goede woord
Je kijkt eerst naar het lidwoord. Bij een de-woord dichtbij gebruik je deze. Bij een de-woord ver weg gebruik je die. Bij een het-woord dichtbij gebruik je dit. Bij een het-woord ver weg gebruik je dat.
Laat leerlingen het schema hardop meelezen na het invullen.
... jas hier
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... boek hier
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... vrouw daar
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... deur daar
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... woord hier
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... kind hier
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... huis daar
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... fiets hier
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
... tafel hier.
Deze
Die
Dat
Dit
This item has no instructions
... raam daar
Deze
Die
Dit
Dat
This item has no instructions
Oefenen met de-woorden
Kies deze of die.
Ik neem _ appel hier.
Zie je _ straat daar?
_ docent hier helpt mij.
_ supermarkt daar is groot.
_ schoenen hier zijn nieuw.
Antwoorden: deze appel, die straat, deze docent, die supermarkt, deze schoenen. Herhaal dat meervoud ook de-woord is.
Oefenen met het-woorden
Kies dit of dat.
Ik lees _ verhaal hier.
Ken je _ dier daar?
_ meisje hier lacht.
_ station daar is druk.
_ water hier is koud.
Antwoorden: dit verhaal, dat dier, dit meisje, dat station, dit water.
Wat is goed?
die straat daar
dit straat hier
deze straat hier
dat straat daar
Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.
Wat is goed?
die fiets hier
dit fiets hier
deze fiets hier
dat fiets hier
Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.
Wat is goed?
die station daar
dit station daar
deze station daar
dat station daar
Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.
Wat is goed?
die supermarkt daar
dit supermarkt hier
deze supermarkt hier
dat supermarkt daar
Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.
Wat is goed?
die raam hier
dit raam hier
deze raam hier
dat raam hier
Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.
Vul de juiste woorden in
In de klas wijs ik naar woorden en dingen. Ik zeg deze tafel hier en die deur daar. Daarna pak ik dit boek hier en kijk ik naar dat raam daar.
Herhaalt beide regels samen: de-woorden en het-woorden, dichtbij en ver weg.
Ezelsbrug
Onthoud:
de → deze / die
het → dit / dat
Dichtbij:
deze, dit
Ver weg:
die, dat
Dit is een samenvattende geheugensteun. Laat leerlingen eventueel een eigen kort schema overschrijven.
Wat is goed?
dat vrouw daar
die vrouw daar
dit vrouw daar
deze vrouw daar
Vrouw is een de-woord en daar betekent ver weg.
Alles door elkaar
Ik kijk eerst naar de of het. Daarom zeg ik deze pen hier en dat museum daar. Daarna zie ik deze bloemen hier en dat brood daar.
Bloemen is meervoud en krijgt deze bij dichtbij.
Wat heb jij vandaag geleerd?
Laat leerlingen kort terugkijken op wat ze geleerd hebben. Mogelijke elementen: deze/die bij de-woorden, dit/dat bij het-woorden, dichtbij of ver weg.
Wat vond jij nog moeilijk?
Gebruik de antwoorden om te zien waar extra oefening nodig is.