Die, deze, dit en dat

Die, deze, dit en dat

1 / 33
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Die, deze, dit en dat

Open met herkenbare taal uit de klas: wijs iets aan dat dichtbij staat en iets dat verder weg staat. Koppel dat meteen aan de vier woorden van de les.

Lesdoel

Ik kan deze, die, dit en dat op de juiste manier kiezen.

This item has no instructions

Twee dingen zijn belangrijk

Bij deze, die, dit en dat kijk je naar twee dingen:


  • Is het een de-woord of een het-woord?

  • Is het dichtbij of ver weg?


Met die twee keuzes vind je het juiste woord.

Leg uit dat leerlingen niet alles tegelijk hoeven te onthouden. Eerst lidwoord, daarna afstand.

Bij de-woorden

Een de-woord krijgt:


  • deze → dichtbij

  • die → ver weg


Voorbeelden:

  • de stoel → deze stoel / die stoel

  • de jas → deze jas / die jas

Noem extra voorbeelden als de tafel, de deur, de fiets. Houd steeds dezelfde volgorde aan: eerst het zelfstandig naamwoord, dan dichtbij/ver weg.

Bij het-woorden

Een het-woord krijgt:


  • dit → dichtbij

  • dat → ver weg


Voorbeelden:

  • het boek → dit boek / dat boek

  • het raam → dit raam / dat raam

Benadruk dat leerlingen hier vaak per ongeluk deze of die gebruiken. Laat horen dat dit/dat bij het-woorden hoort.

Het schema

de-woord + dichtbij → deze

de-woord + ver weg → die


het-woord + dichtbij → dit

het-woord + ver weg → dat

Dit is het kernschema van de les. Neem tijd om het hardop samen te lezen.

Dichtbij en ver weg

Dichtbij betekent: hier, bij mij, vlakbij.

Ver weg betekent: daar, verder weg, verderop.


Daarom zeg je:

  • deze tas hier

  • die tas daar

  • dit boek hier

  • dat boek daar

Gebruik gebaren: wijs dichtbij jezelf en daarna verder in het lokaal. Zo koppelen leerlingen vorm aan betekenis.

Kijk eerst naar het woord

Stap 1: Is het een de-woord of een het-woord?


Stap 2: Is het dichtbij of ver weg?


Dan kies je het goede woord.

Model hardop: 'boek = het-woord, boek ligt hier, dus dit boek'.

Welk woord past bij een het-woord dichtbij?

A

die

B

dit

C

deze

D

dat

Controleert het kernschema: het-woord + dichtbij = dit.

Kies het goede woord

Je kijkt eerst naar het lidwoord. Bij een de-woord dichtbij gebruik je deze. Bij een de-woord ver weg gebruik je die. Bij een het-woord dichtbij gebruik je dit. Bij een het-woord ver weg gebruik je dat.

deze
die
dit
dat
de
het
hier
daar

Laat leerlingen het schema hardop meelezen na het invullen.

... jas hier

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... boek hier

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... vrouw daar

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... deur daar

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... woord hier

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... kind hier

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... huis daar

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... fiets hier

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

... tafel hier.

A

Deze

B

Die

C

Dat

D

Dit

This item has no instructions

... raam daar

A

Deze

B

Die

C

Dit

D

Dat

This item has no instructions

Oefenen met de-woorden

Kies deze of die.


  • Ik neem _ appel hier.

  • Zie je _ straat daar?

  • _ docent hier helpt mij.

  • _ supermarkt daar is groot.

  • _ schoenen hier zijn nieuw.

Antwoorden: deze appel, die straat, deze docent, die supermarkt, deze schoenen. Herhaal dat meervoud ook de-woord is.

Oefenen met het-woorden

Kies dit of dat.


  • Ik lees _ verhaal hier.

  • Ken je _ dier daar?

  • _ meisje hier lacht.

  • _ station daar is druk.

  • _ water hier is koud.

Antwoorden: dit verhaal, dat dier, dit meisje, dat station, dit water.

Wat is goed?

A

die straat daar

B

dit straat hier

C

deze straat hier

D

dat straat daar

Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.

Wat is goed?

A

die fiets hier

B

dit fiets hier

C

deze fiets hier

D

dat fiets hier

Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.

Wat is goed?

A

die station daar

B

dit station daar

C

deze station daar

D

dat station daar

Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.

Wat is goed?

A

die supermarkt daar

B

dit supermarkt hier

C

deze supermarkt hier

D

dat supermarkt daar

Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.

Wat is goed?

A

die raam hier

B

dit raam hier

C

deze raam hier

D

dat raam hier

Fiets is een de-woord en hier betekent dichtbij.

Vul de juiste woorden in

In de klas wijs ik naar woorden en dingen. Ik zeg deze tafel hier en die deur daar. Daarna pak ik dit boek hier en kijk ik naar dat raam daar.

deze
die
dit
dat
de
het
deze
dat
die
dit
hier
daar

Herhaalt beide regels samen: de-woorden en het-woorden, dichtbij en ver weg.

Ezelsbrug

Onthoud:


  • de → deze / die

  • het → dit / dat


Dichtbij:

  • deze, dit


Ver weg:

  • die, dat

Dit is een samenvattende geheugensteun. Laat leerlingen eventueel een eigen kort schema overschrijven.

Wat is goed?

A

dat vrouw daar

B

die vrouw daar

C

dit vrouw daar

D

deze vrouw daar

Vrouw is een de-woord en daar betekent ver weg.

Alles door elkaar

Ik kijk eerst naar de of het. Daarom zeg ik deze pen hier en dat museum daar. Daarna zie ik deze bloemen hier en dat brood daar.

deze
dat
deze
dat
die
dit
de
het
hier
daar

Bloemen is meervoud en krijgt deze bij dichtbij.

Wat heb jij vandaag geleerd?

Laat leerlingen kort terugkijken op wat ze geleerd hebben. Mogelijke elementen: deze/die bij de-woorden, dit/dat bij het-woorden, dichtbij of ver weg.

Wat vond jij nog moeilijk?

Gebruik de antwoorden om te zien waar extra oefening nodig is.