7.3 Moleculaire stoffen

Hoofdstuk 7
Een indeling van stoffen
7.3 Moleculaire stoffen
1 / 51
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 51 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Hoofdstuk 7
Een indeling van stoffen
7.3 Moleculaire stoffen

Slide 1 - Slide

Indeling op micro niveau:

Atomen kunnen worden ingedeeld in 2 groepen:
 metalen en niet-metalen

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Indeling op macro niveau:
stoffen worden ingedeeld in 3 groepen:

Slide 4 - Slide

Herhaling 7.1 Stroomgeleiding
Stof
Vast
Vloeibaar
Metaal (m) / niet- metaal(nm)?
Soort stof
Zink-chloride
Nee
Ja
m+ nm
Zout
Zink
Ja
Ja
m
Metaal
Kaarsvet
Nee
Nee
nm
Moleculaire
stof

Slide 5 - Slide

Leerdoelen 7.3
Je kunt moleculaire stoffen aan hun formule herkennen.

Je leert eigenschappen van moleculaire stoffen op macroniveau uitleggen met behulp van de deeltjes van het microniveau

Slide 6 - Slide

Moleculaire stoffen
  • Bestaan uit niet-metalen atomen
  • Geleiden geen de stroom 
  • Hebben een laag smelt- en kookpunt

Slide 7 - Slide

Molecuulbinding
De aantrekkingskracht die tussen moleculen aanwezig is
noemen we de VanderWaalskrachten.

Hierdoor ontstaat de  vanderwaalsbinding (molecuulbinding)
Hoe sterk die binding is hangt af van de massa van de moleculen : Hoe groter de massa, hoe sterker de binding

Slide 8 - Slide

Molecuulbinding
Hoe groter de massa van een molecuul, hoe sterker de
 vanderWaalsbinding,
en hoe hoger het kookpunt en smeltpunt

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Atoombindingen
 - binding tussen minimaal 2 atomen
- de atomen 'delen' elektronen met elkaar
- een binding bestaat uit 2 elektronen: een elektronenpaar
- atoombindingen houden de atomen bij elkaar
  en vormen zo moleculen

Slide 11 - Slide

Covalentie
Het aantal bindingen dat een atoomsoort kan vormen is kenmerkend voor die atoomsoort, bijvoorbeeld koolstof kan 4 bindingen maken.
Covalentie: het aantal bindingen dat een atoom kan vormen
(het aantal streepjes in een molecuultekening)

Slide 12 - Slide

Covalenties van enkele atoomsoorten

Slide 13 - Slide

Hydrofiel en Hydrofoob

Hydro = water
fiel      = houden van
foob   = bang voor

Dus:
Hydrofiel    = houden van water
Hydrofoob = bang voor water

Slide 14 - Slide

Hydrofiel en hydrofoob
Hydrofiel:   Zo'n molecuul heeft minstens 1 OH- of NH- groep
                         Hierdoor kunnen ze goed mengen met water
Hydrofoob: molecuul heeft geen OH- of NH- groepen 
                         Kan zich niet tussen de watermoleculen voegen

Soort zoekt soort! 

Slide 15 - Slide

Hydrofiel/Hydrofoob
De hydrofobe staart gaat makkelijk in
het vet (olie) en de hydrofiele kop mengt
makkelijk met water. Hierdoor zorgt
een emulgator ervoor dat olie en water
kunnen mengen (voor een tijdje).

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Dus Moleculaire stoffen
  • Bestaan uit niet-metalen
  • Geleiden nooit de stroom
  • Hebben een laag smelt- en kookpunt
  • Tussen de moleculen:     vanderwaalsbinding
  • Tussen de atomen:           covalente binding / atoombinding

Slide 18 - Slide

Aan de slag!
Maken van 7.3
opdracht 22, 23, 25, 30, 31 en 32

Slide 19 - Slide

Metalen (macro)
Metaalrooster: atoomresten en vrije elektronen (micro)

Slide 20 - Slide

  • Metalen kun je buigen zonder ze te breken. 
  • In het metaalrooster verschuiven de positieve ionen ook ten opzichte van elkaar, maar er verandert eigenlijk niets. 
  • Legeringen: kunnen harder of zachter zijn dan het oorspronkelijke metaal (zie figuur 7.14)
Waarom zijn metalen buigzaam?

Slide 21 - Slide

Hoe noem je de reactie tussen metalen en stoffen zoals zuurstof en water?
A
Roesten
B
Corroderen
C
Onedel
D
Legering

Slide 22 - Quiz

Wat is de lading van de atoomrest (het metaalion) in een metaalrooster?
A
Positief
B
Negatief
C
Neutraal
D
Kan zowel positief als negatief zijn

Slide 23 - Quiz

Is brons harder dan koper?
A
Ja
B
Nee
C
Niet te voorspellen
D
Ik zou het niet weten

Slide 24 - Quiz

                   Fase-overgang
  • Bij verhitten verandert alleen de fase van de stof.
  • De moleculen blijven hetzelfde (atoombinding blijft intact).
  • De afstand tussen deeltjes veranderd -> Van der Waalsbinding (kracht).

Slide 25 - Slide

VanderWaalsbinding 
  • Aantrekkingskracht tussen moleculen
  • Zwakke binding
  • Aanwezig bij vaste stoffen en vloeistoffen
  • Wordt 'overwonnen' in de gasfase  of als een molecuul wordt opgelost. 
  • Hoe groter de massa van een molecuul, hoe sterker de
      vanderWaalsbinding, hoe hoger het kookpunt/smeltpunt. én
  • Hoe groter het contactoppervlak tussen de moleculen dankzij hun vorm,
     hoe sterker de vanderWaalsbinding, hoe hoger het kookpunt/smeltpunt.

Slide 26 - Slide

Vanderwaals kracht
molecuulkracht die 
een molecuulbinding mogelijk maakt

(waterstofbrug is bijzonder binding
uitgelegd met             )

Slide 27 - Slide

Welke twee soorten bindingen zitten er tussen watermoleculen ?
A
Atoombinding
B
Ionbinding
C
Vanderwaalsbinding
D
Waterstofbrug

Slide 28 - Quiz

Een voorbeeld van een polair molecuul is een:
A
koolstofdioxide
B
methaan
C
water
D
ethaan

Slide 29 - Quiz

olie
A
hydrofiel
B
hydrofoob

Slide 30 - Quiz

Mengen deze moleculen?
A
nee, want H2O is hydrofiel, ethaan hydrofoob
B
ja, ze zijn beide hydrofiel
C
ja, ze zijn beide hydrofoob
D
nee, want H2O is hydrofoob en ethaan hydrofiel

Slide 31 - Quiz

De kop van een zeepmolecuul is:
A
hydrofiel, houdt niet van water
B
hydrofoob, houdt niet van water
C
hydrofiel, houdt wel van water
D
hydrofoob, houdt wel van water

Slide 32 - Quiz

Welke stof heeft het hoogste kookpunt? CH4, C2H6 of C3H8?
A
CH4
B
C2H6
C
C3H8
D
Allemaal even hoog

Slide 33 - Quiz

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

Polaire atoombinding
  • Elektronen bevinden zich gemiddeld meer bij het ene atoom
     dan bij het andere.
  • Hierbij spelen andere krachten een rol = waterstofbrug
  • Watermoleculen zijn stevig aan elkaar gebonden door
      waterstofbruggen, aan de opp. een vliesje van water
      = oppervlaktespanning

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Slide

Polaire atoombinding
  • De elektronen zitten liever bij het N-atoom en bij het
      O-atoom. Hierdoor worden deze atomen “delta” negatief.
  • De waterstofatomen die aan het ”delta” negatief atoom vast
      zitten worden “delta” positief.
  • Moleculen met OH- en/of NH groepen hebben dus extra
      bindingen genaamd Waterstofbruggen
  • Moleculen met een polaire atoombinding > kookpunt

Slide 39 - Slide

Polaire atoombinding

Waterstofbruggen alleen tussen het O-atoom of N-atoom van het ene molecuul en een H-atoom van een ander molecuul.


LET OP !!

ALLEEN H-ATOMEN DIE ZELF OOK AAN EEN O- OF EEN N-ATOOM ZIJN GEBONDEN KUNNEN H-BRUGGEN VORMEN

Slide 40 - Slide

Slide 41 - Slide

En als één atoom nu te hard trekt?
Dan ontstaan positief en negatief geladen deeltjes (uit de atomen). Deze worden ionen genoemd.
De stof die hieruit ontstaat wordt een zout genoemd

Slide 42 - Slide

Slide 43 - Slide

Atoombinding

Binding in moleculen tussen atomen.

De atomen wisselen beide een elektron met elkaar

Ze hebben een gezamenlijk electronenpaar.


Slide 44 - Slide

Slide 45 - Slide

0

Slide 46 - Video

Hydrofiel en hydrofoob
HYDROFOOB > houdt niet van water, mengt er niet goed mee     > bijv. olie, kaarsvet, zuurstof 
HYDROFIEL > houdt van water, mengt er goed mee                          > bijv. alcohol, suiker, spiritus


De oliedruppeltjes zijn omringd door emulgatormoleculen
De hydrofobe staarten steken in de hydrofobe oliedruppels. 
De hydrofiele koppen bevinden zich in water.

Slide 47 - Slide

Dus de emulgator

Slide 48 - Slide

Hydrofiel en hydrofoob

  • Hydrofiele stoffen lossen goed op/mengen goed met andere hydrofiele stoffen
  • Hydrofobe stoffen lossen goed op/mengen goed met andere hydrofobe stoffen
  • Hydrofiele stoffen lossen slecht op in hydrofobe stoffen


Slide 49 - Slide

Dus molecuulbinding
De aantrekkingskracht 
die uiteindelijk
tussen moleculen met gewone atoombindingen 
ontstaat noemen we 
de VanderWaalskrachten

Slide 50 - Slide

Electronegativiteit

Sommige elementen “trekken harder” aan het electronen paar.

Hierdoor komt er meer van de beide electronen aan de kant van dat element.

De kracht waarmee een element trekt heet de electronegativiteit

Slide 51 - Slide