A2 TC 1.5 en 1.6 en herhaling

vrijdag 4 september
2026
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min
Report this lesson

Items in this lesson

vrijdag 4 september
2026

Slide 1 - Slide

Doelen
 Ik leer:
  • woorden die gaan over 'huis'
Ik kan:
  • praten over mijn huis
  • kan de buurt en plaats beschrijven

Slide 2 - Slide

programma
  • Herhalen dit is/dit zijn
  • Hoe gaat het? Video en woorden
  • verhuizen
  • hoe ziet je huis eruit?
  • lied





Slide 3 - Slide

Dit is mijn familie
Je kunt voorstellen of presenteren door 
dit is, dat is
dit zijn, dat zijn
te gebruiken.

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Dichtbij
Verweg
Het - woorden
Dit
Dat
De- woorden
Meervoud
Deze
Die

Slide 6 - Slide

Opdracht in tweetallen
Kies een foto van je familie.
Praat over deze foto. Maak gebruik van:
dit is / dit zijn / dat is / dat zijn

Zoek iemand met hetzelfde dier en ga met elkaar praten. 

Slide 7 - Slide

A2 TC 1.5 en 1.6

Slide 8 - Slide

Het huis

Slide 9 - Mind map

Slide 10 - Video

Slide 11 - Slide


  • gefeliciteerd      

Slide 12 - Slide

Hier staan veel huizen, het is een ...

  • wijk                       
  • de woonwijk     
  • de woonwijken

Slide 13 - Slide

Deze muur is 4 ...

  • vierkante meter    
  • m²                                
  • 1 meter x 1 meter 

Slide 14 - Slide


  • verhuizen         

Slide 15 - Slide

Dit huis heeft een ... 

  • licht interieur       
  • modern interieur
  • ruime indeling     

Slide 16 - Slide

Verhuizen is een grote klus, ze zijn ... dat ze klaar zijn!
 

  • blij                        

Slide 17 - Slide

Wat is een goed antwoord?
Met wie woon jij in Nederland?
A
Ik woon in Roermond.
B
Ik kom uit Polen.
C
Ik woon samen met mijn familie.
D
Ik woon bij mijn buren.

Slide 18 - Quiz

Hoeveel broers en zussen heb jij?
A
Ik heb twee broers en drie zussen
B
Mijn broer en zus zijn op school
C
Ik heb een broer en een zus
D
Ik heb een grote familie

Slide 19 - Quiz

Welke zin is goed?
A
Mijn familie hebt een huis.
B
Mijn familie heeft een huis.
C
Mijn familie hebben een huis.
D
Mijn familie heb een huis.

Slide 20 - Quiz

Wij gaan .........., we hebben een huis in Amsterdam gekocht.

Slide 21 - Open question

Hamza is heel boos, want hij moet meer ...... betalen.

Slide 22 - Open question

opdracht in tweetallen
Je maakt een tekening van je huis.
Je stelt vragen over het huis.
Gebruik:
  • hoeveel kamers?
  • hoeveel vierkante meter?
  • hoe is de wijk? 
  • modern/licht/ruim

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

Dit land.....
Noem nog 3 woorden waarbij je dit gebruikt.

Slide 25 - Open question

Slide 26 - Slide