A2 TC 1.5 en 1.6 en herhaling

Woensdag 25 februari
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Woensdag 25 februari

Slide 1 - Slide

Doelen
Herhaling:
  •  dit is / dit zijn / dat is / dat zijn kan gebruiken.
Ik leer:
  • woorden die gaan over 'huis'
Ik kan:
  • praten over mijn huis

Slide 2 - Slide

programma
  • dit is / dit zijn / dat is / dat zijn
  • praten over je familie. Je gebruikt
       dit is / dit zijn / dat is / dat zijn
  • verhuizen
  • hoe ziet je huis eruit?
  • lied





Slide 3 - Slide

TC A2 - 1.3 herhaling

Slide 4 - Slide

Dit is mijn familie
Je kunt voorstellen of presenteren door 
dit is, dat is
dit zijn, dat zijn
te gebruiken.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Dichtbij
Verweg
Het - woorden
Dit
Dat
De- woorden
Meervoud
Deze
Die

Slide 7 - Slide

Dit ______ mijn moeder.

Slide 8 - Open question

Dat ______ nieuwe flats.

Slide 9 - Open question

Dit _____ een groene fiets.

Slide 10 - Open question

Dat ______ mijn vriend.

Slide 11 - Open question

Dit ______ prachtige kamers.

Slide 12 - Open question

Slide 13 - Slide

Opdracht in tweetallen
Kies een foto van je familie.
Praat over deze foto. Maak gebruik van:
dit is / dit zijn / dat is / dat zijn

Zoek iemand met hetzelfde dier en ga met elkaar praten. 

Slide 14 - Slide

A2 TC 1.5 en 1.6

Slide 15 - Slide

Het huis

Slide 16 - Mind map

Slide 17 - Video

Slide 18 - Slide


  • gefeliciteerd      

Slide 19 - Slide

Hier staan veel huizen, het is een ...

  • wijk                       
  • de woonwijk     
  • de woonwijken

Slide 20 - Slide

Deze muur is 4 ...

  • vierkante meter    
  • m²                                
  •  1 meter x 1 meter 

Slide 21 - Slide


  • verhuizen         

Slide 22 - Slide

Dit huis heeft een ... 

  • licht interieur       
  • modern interieur
  • ruime indeling     

Slide 23 - Slide

Verhuizen is een grote klus, ze zijn ... dat ze klaar zijn!
 

  • blij                        

Slide 24 - Slide

Met wie woon jij in Nederland?
A
Ik woon in Roermond.
B
Ik kom uit Polen.
C
Ik woon samen met mijn familie.
D
Ik woon bij mijn buren.

Slide 25 - Quiz

Hoeveel broers en zussen heb jij?
A
Ik heb twee broers en drie zussen
B
Mijn broer en zus zijn op school
C
Ik heb een broer en een zus
D
Ik heb een grote familie

Slide 26 - Quiz

Welke zin is goed?
A
Mijn familie hebt een huis.
B
Mijn familie heeft een huis.
C
Mijn familie hebben een huis.
D
Mijn familie heb een huis.

Slide 27 - Quiz

Maak de zin af:
Mijn huis is heel modern, wij hebben....

Slide 28 - Open question

Wij gaan .........., we hebben een huis in Amsterdam gekocht.

Slide 29 - Open question

Hamza is heel boos, want hij moet meer ...... betalen.

Slide 30 - Open question

opdracht in groepjes van 3
Cursist A praat over zijn huis. 
Cursist B stelt vragen 
Gebruik:
  • Hoe ziet het eruit?
  • vierkante meter
  • verhuizen
  • modern/licht/ruim/huur

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Video

Hoe vaak hoor je het woord 'dit' in het lied?
A
20
B
17
C
18
D
21

Slide 33 - Quiz

Slide 34 - Slide