Les 12 formuleren

enkelvoudige en samengestelde zinnen
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

enkelvoudige en samengestelde zinnen

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

Een enkelvoudige zin bevat één werkwoordgroepje.
Voorbeeld: 
Ik ga dit romantische boek lezen.
De woorden ‘ga’ en ‘lezen’ vormen samen een werkwoordgroepje, want ze horen bij elkaar.

Een enkelvoudige zin bevat één persoonsvorm.

Voorbeeld: 

Ik ga dit romantische boek lezen.
'Ga' is de enige persoonsvorm.
De woorden ‘ga’ en ‘lezen’ vormen samen een werkwoordgroepje, want ze horen bij elkaar.

Slide 3 - Slide

Een samengestelde zin is opgebouwd uit twee of meer zinnen (deelzinnen). Hij bevat twee of meer persoonsvormen. Elk werkwoordgroepje geeft een deelzin aan: een hoofdzin of een bijzin.

Voorbeeld:

Ik ga dit romantische boek lezen, omdat mijn vriendin het mij heeft gegeven.

De twee losse zinnen worden hier aan elkaar geplakt door het woord 'omdat'. 

Slide 4 - Slide

Marieke zit op de bank terwijl Maarten opruimt.
A
samengestelde zin
B
enkelvoudige zin

Slide 5 - Quiz

De boze jongen kan zich nu niet meer inhouden.
A
Enkelvoudige zin
B
Samengestelde zin

Slide 6 - Quiz

Hij wacht niet langer af en pakt zijn spullen in.
A
samengestelde zin
B
enkelvoudige zin

Slide 7 - Quiz

Zijn liefhebbende vriendin blijkt er een andere man op na te houden.
A
Samengestelde zin
B
Enkelvoudige zin

Slide 8 - Quiz

Netflix is de enige afleiding voor het luie meisje dat op de bank zit.
A
samengestelde zin
B
enkelvoudige zin

Slide 9 - Quiz

Dus ... 
Bij één persoonsvorm is de zin enkelvoudig.

Bij twee of meer persoonsvormen is de zin samengesteld. Het aantal persoonsvormen geeft dan het aantal deelzinnen aan.

Slide 10 - Slide

Hoofdzin of bijzin
Een hoofdzin is zonder bijzin of andere hoofdzin ook een goede zin. De woorden staan op de goede plek.


Een bijzin is zonder hoofdzin geen goede zin. De woorden staan niet op de goede plek.

Slide 11 - Slide

Kijk maar eens mee:
Ik ga dit romantische boek lezen, omdat mijn vriendin het mij heeft gegeven.

Kloppende zin: Ik ga dit romantische boek lezen (HZ)
Niet-kloppende zin: mijn vrienden het mij gegeven heeft (BZ)

Slide 12 - Slide

Woorden toevoegen 
Je kunt een hoofdzin en bijzin ook herkennen door te kijken of er woorden tussen de woorden van een woordgroepje staan of kunnen staan (bijvoorbeeld ‘morgen’ of ‘niet’). Als dit niet kan, dan is de deelzin een bijzin. Als dit wel kan, dan is de deelzin een hoofdzin.


Slide 13 - Slide

Kijk maar eens mee:
Ik ga dit romantische boek lezen, omdat mijn vriendin het mij heeft gegeven.

Tussen 'ik' en 'ga' kan géén ander woord staan. Dit is de hoofdzin.
Tussen 'mijn vriendin' en 'heeft)  staan al woorden. Dit is de bijzin.

Slide 14 - Slide

Voorbeeld
Mijn beste vriendin heeft (morgen) alweer (niet) op haar telefoon gekeken        , want ze is (morgen) (niet) nieuwsgierig geworden naar haar moeders reactie       .

Mijn beste vriendin heeft (morgen) alweer (niet) op haar telefoon gekeken      , omdat ze nieuwsgierig is geworden naar haar moeders reactie      .
hoofdzin
hoofdzin
hoofdzin
bijzin
In de laatste zin kan er geen ‘morgen’ of ‘niet’ tussen de werkwoorden ‘is’ en ‘geworden’ komen te staan.

Slide 15 - Slide

Voegwoorden
Voegwoorden plakken deelzinnen aan elkaar.



Slide 16 - Slide

Noem voegwoorden

Slide 17 - Open question

Voegwoorden bepalen hoofdzin of bijzin
Sommige voegwoorden zorgen voor een hoofdzin
‘maar’, ‘en’, ‘want’, ‘of’ en ‘dus’. 
Dit zijn nevenschikkende voegwoorden

Andere voegwoorden zorgen voor een bijzin; 
‘omdat’, ‘als’, ‘zodat’, ‘toen’, ‘wanneer’ en ‘dat’. 
Dit zijn onderschikkende voegwoorden.

Slide 18 - Slide

Voorbeeld
Ik ga dit romantische boek lezen       , want mijn vriendin heeft het mij gegeven         .


Ik ga dit romantische boek lezen       , omdat mijn vriendin het mij heeft gegeven       .
hoofdzin
hoofdzin
hoofdzin
bijzin

Slide 19 - Slide

Morgen ga ik meteen een zelftest halen, want ik blijf geen dag langer thuis.
A
Hoofdzin - hoofdzin
B
Bijzin - hoofdzin
C
hoofdzin - bijzin

Slide 20 - Quiz

Uitleg
Morgen ga (pv) ik (ow) meteen een zelftest halen, want ik (ow) blijf (pv) geen dag langer thuis.

*Onderwerp en persoonsvorm staan naast elkaar. Er kan geen woord als 'niet' tussen.
*Het voegwoord 'want' staat ertussen. Dan heb je een hoofdzin met hoofdzin.

Slide 21 - Slide

Omdat we weer in lockdown gaan, zit ik op zaterdag steeds met mijn ouders op de bank.
A
Hoofdzin - hoofdzin
B
Bijzin - hoofdzin
C
hoofdzin - bijzin

Slide 22 - Quiz

Uitleg
Omdat we (ow) weer in lockdown gaan (pv), zit (pv) ik (ow) op zaterdag steeds met mijn ouders op de bank.

Bijzin, want het onderwerp en de persoonsvorm staan niet naast elkaar.

Slide 23 - Slide

Keuze:
1. Speel (in tweetallen) de Kahoot op de volgende slide.
2. Begin alvast met de weektaak (zie slide daarna).

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Link

Deze week:
1. Ga naar NieuwNederlands online of pak je boek/schrift:
2. Maak De Brug grammatica zinsdelen opdr. 5 (p. 249) en H1 Formuleren opdracht 1 en 2 (p. 32)
Klaar?
Lees je boek (24 nov. boektoets)
Maak in Numo Lezen 2F (voor een 5.5 of +1 op je cijfer)
Ander vak

Slide 26 - Slide