Bijvoeglijk naamwoord

Grammatica - woordsoorten
(stoffelijke) bijvoeglijke naamwoorden
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Grammatica - woordsoorten
(stoffelijke) bijvoeglijke naamwoorden

Slide 1 - Slide

Doelen:

Ik weet wat een bijvoeglijk naamwoord is


Ik weet wat een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord is


Ik kan (stoffelijke) bijvoeglijke naamwoorden in de zin herkennen

Slide 2 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
  • Het spannende boek.
  • Het kussende paar
  • Het schitterende boek
  • Het kartonnen bakje

Slide 3 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord

Staat soms ook achter het zelfstandig naamwoord

  • de schitterende film
  • de film is schitterend


  • Dagobert Duck is heel beroemd

Slide 4 - Slide

Stoffelijk bijvoeglijke naamwoorden

Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het materiaal waarvan het gemaakt is.


Deze bijvoeglijke naamwoorden kennen maar 1 vorm en eindigt meestal op -en:

  • de zilveren ring
  • de gouden medaille
  • het stenen muurtje
  • maar: het nylon tasje


Slide 5 - Slide

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

De normaalste zaak van de wereld
A
de
B
normaalste
C
zaak
D
wereld

Slide 6 - Quiz

De bijvoeglijke naamwoorden:

De spectaculaire wedstrijd zorgde voor grote vreugde bij de enthousiaste fans
A
spectaculaire, enthousiaste
B
spectaculaire, grote
C
spectaculaire, enthousiaste, grote
D
spectaculaire, grote, fans

Slide 7 - Quiz

Bijvoeglijke naamwoorden:

Dat arme meisje heeft een gebroken hart

Slide 8 - Open question

Bijvoeglijke naamwoorden:

Mijn lieve moeder had gouden oorbellen in haar nylon tas gestopt

Slide 9 - Open question

De regel is: zo kort mogelijk. Waarom schrijven we 'opgezette' en niet 'opgezete'?

Slide 10 - Open question

Slide 11 - Video

Aan het werk

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Link

Wat vind je nog lastig aan het bijvoeglijk naamwoord?

Slide 14 - Open question