verhoudingen 8.3 en 8.4

Rekenen
Verhoudingen
1 / 27
next
Slide 1: Slide
RekenenPraktijkonderwijsLeerjaar 1

This lesson contains 27 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Rekenen
Verhoudingen

Slide 1 - Slide

Weten we het nog??
Hoe zat het ook alweer....




Een verhouding laat zien dat twee of meer getallen 
bij elkaar horen.







Slide 2 - Slide

Verhouding
Een verhouding bestaat uit twee of meer getallen.

Je komt verhoudingen tegen bij hoeveelheden, prijzen en aantallen.

Slide 3 - Slide

Kun je voorbeelden geven 
van verhoudingen?

Welke hebben we samen besproken??

Slide 4 - Slide

Aantal dozen
3
9
Aantal euro's
6
?
3 dozen kiwi's kosten 6 euro. Hoeveel kosten 9 dozen?

Slide 5 - Slide

tubes
prijs
8 tubes tandpasta kosten 12 euro. 
Hoeveel kosten 2 tubes?

Slide 6 - Slide

Doel van de les
Aan het einde van deze les:

Weet jij hoe je een verhouding "officieel" schrijft.

Kun jij een deel van het totaal uitrekenen met hulp van een verhoudingstabel.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Klinkt nog een beetje vaag.....
Aan wat voor soort vragen moet je dan denken?

Er zitten 30 leerlingen in de klas. 1 van de 3 is een jongen.
Hoeveel jongens zitten in de klas?

De school koopt 50 nieuwe ballen. 1 van de 6 is een nieuwe voetbal. Hoeveel voetballen heeft de school gekocht?

Slide 9 - Slide

Maar hoe schrijf ik dat dan op?

Slide 10 - Slide

Wat denk jij?
Hoeveel leerlingen komen op de fiets?

Slide 11 - Slide

Stap voor stap
2 op de 3 komt met de fiets. 30 leerlingen in de klas.
Hoeveel leerlingen komen op de fiets?

Slide 12 - Slide

Stap 2
2 op de 3 komt met de fiets. 30 leerlingen in de klas.
Hoeveel leerlingen komen op de fiets?


Slide 13 - Slide

Stap 3
2 op de 3 komt met de fiets. 30 leerlingen in de klas.
Hoeveel leerlingen komen op de fiets?

Slide 14 - Slide

De laatste stap
2 op de 3 komt met de fiets. 30 leerlingen in de klas.
Hoeveel leerlingen komen op de fiets?

Slide 15 - Slide

Samenvatten
Stap 1: schrijf de verhouding op.
Stap 2: schrijf het totaal op (het getal waar je naartoe werkt)
Stap 3: Moeten het aan groter (X) of kleiner worden (:)
Stap 4: Maak de som. Wat je boven doet, doe je onder ook. Wat je onder doet, doe je boven ook.
Stap 5: geef het antwoord

Slide 16 - Slide

Controle opdracht

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Aan de slag
H8 blz 171
 t/m opdracht 24

Lees de tekst goed op blz 175/176

Slide 19 - Slide

Maar....je kunt ook

verhoudingen vereenvoudigen door te verkleinen.

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Het stappenplan

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Slide 24 - Slide

Dat komt me bekent voor
Ja, dat kan kloppen.
Met breuken doe je eigenlijk hetzelfde.

Een breuk en een verhouding vereenvoudig je altijd.

Vereenvoudigen betekent dat je boven en onder deelt door hetzelfde getal.

Slide 25 - Slide

Stappenplan
1. Schrijf de verhouding in de tabel
2.Bedenk waar je het getal boven en onder door kunt delen.
3. Gebruik boogjes.
4. Reken na of je antwoord klopt!
5. Geef het antwoord.

Slide 26 - Slide

6 van de 8 koekjes op een schaal zijn chocolade.

Vereenvoudig zo klein mogelijk!

Slide 27 - Slide