T1H4 Oligopolie

T1H4 Oligopolie
1. Kenmerken van de markt
2. Prijsvorming
3. Speltheorie
 
1 / 49
next
Slide 1: Slide
EconomietestSecundair onderwijs

This lesson contains 49 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

T1H4 Oligopolie
1. Kenmerken van de markt
2. Prijsvorming
3. Speltheorie
 

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
  • Je kunt de begrippen oligopolie, duopolie en schaalvoordelen in eigen woorden omschrijven.
  • Je kunt voorbeelden noemen van markten van oligopolie
  • Je kunt onderscheid maken tussen een homogeen en een heterogeen oligopolie.
  • Je kunt de kenmerken van een oligopolie omschrijven

Slide 2 - Slide

Wat heb je nodig?
LessonUp
Cursusblok
Schrijfgerei
Laptop

Slide 3 - Slide

Oligopolie
HB pg. 50 - 58
WB pg. 43 - 49
Bookwidget (zie vakmap)
LessonUp

Slide 4 - Slide

1. Kenmerken van de markt
Zie HB pg. 50
- Enkele aanbieder en veel vragers.
- Homogene of heterogene producten (afhankelijk van markt)
- Niet transparante markt
- Moeilijk te betreden markt

Slide 5 - Slide

1. Kenmerken van de markt
- Enkele aanbieders en veel vragers : 3 à 4 spelers samen ongeveer 70% van de markt in handen. Individueel invloed op prijs.
* Samenwerken kan: kartelvorming
* Hevige concurrentie: prijzenoorlog

2 aanbieders grootste deel markt in handen: DUOPOLIE

Slide 6 - Slide

1. Kenmerken van de markt
- Homogene of heterogene producten (afhankelijk van markt)
Homogeen: elektriciteit, brandstoffen... 
Heterogeen: 1e, 2e en 3e klasse rit met de trein.

- Niet transparante markt : Info wordt sterk afgeschermd

- Moeilijk te betreden markt: hoge marketingbudgetten, hoge ontwikkelingskosten (R&D) en grote concurrentie van grote spelers. 

Slide 7 - Slide

2. Prijsvorming
Speciale markt
-> Veel concurrentie tussen enkele spelers
-> Kartels vormen : onderlinge afspraken tussen grote spelers die de markt in handen hebben betreffende:
* Prijs
* Hoeveelheid
* Het 'blokken' van leveranciers of klanten

Slide 8 - Slide

2. Prijsvorming
Belangrijke termen: (zie ook extra bundeltje)
* Prijsleider en -volger
* Prijzenoorlog (niet-samenwerkende oligopolisten)
* Prijsstarheid - knik in de prijsafzetcurve
* Kartelvorming (samenwerkende oligopolisten)
* Speltheorie
* Non-price competition

Slide 9 - Slide

2. Prijsvorming
* Prijsleider en -volger
Aanbieder met grootste marktaandeel bepaalt de prijs (marktleider), de andere oligopolisten volgen zijn voorbeeld. Wanneer de prijsleider de prijs laat stijgen, stijgt hun prijs ook.

De prijs laten dalen zal quasi niet voorkomen. Alle spelers verliezen hierbij. -> noteer uitleg leerkracht! (zie prijsstarheid)


Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

2. Prijsvorming
* Prijzenoorlog (niet-samenwerkende oligopolisten)
Prijs laten dalen (redenering: klanten winnen) -> Anderen laten hun prijs ook dalen. Kettingreactie aan prijsdalingen, kleinere oligopolisten staan onder druk. 
! Consument betaalt lagere prijzen !
Sterkste speler blijft uiteindelijk als enige rechtstaan en kan beschouwd worden als monopolist.
! Consument betaalt hoge prijzen !

Slide 12 - Slide

2. Prijsvorming
* Prijzenoorlog (niet-samenwerkende oligopolisten)
Resultaat: niemand won klanten want door merkentrouw blijven klanten hun oude getrouwe product kopen. Er zal een heel klein percentage klanten 'verhuizen' naar een andere aanbieder, maar niet voldoende om de prijsdaling goed te maken. Iedereen verliest een stuk winst.

-> Geen motivatie aanwezig om de prijzen te laten dalen.

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Link

Slide 16 - Link

Een prijzenoorlog houdt in:
A
Bedrijven verhogen steeds de prijzen
B
Bedrijven verlagen steeds de prijzen
C
Prijzen stijgen meer dan inflatie
D
Landen beperken import goedkope producten

Slide 17 - Quiz

Bij welke marktvorm is de kans op een prijzenoorlog het grootst
A
Monopolie
B
Oligopolie
C
Monopolistische concurrentie
D
Volledige mededinging

Slide 18 - Quiz

Een prijzenoorlog win je door hogere kosten te hebben dan de concurrent.

A
Juist
B
Onjuist

Slide 19 - Quiz

Een kartel is een voorbeeld van een prijzenoorlog.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 20 - Quiz

2. Prijsvorming
Prijsstarheid - geknikte prijsafzetcurve
De prijs van de oligopolist bevindt zich op de knik. Dit wordt grafisch verder uitgelegd. 
Zie ook het extra bundeltje met uitleg. pg. 4

Non-price competition -> P blijft quasi gelijk, concurreren op andere wijze. Service, assortiment, kwaliteit...

Slide 21 - Slide

Prijsstarheid uitgelegd

Slide 22 - Slide

Prijsstarheid uitgelegd
P stijgt => elastisch
P daalt => inelastisch

Slide 23 - Slide

Prijsstarheid uitgelegd
P stijgt => elastisch
concurrent behoudt prijs.
P daalt => inelastisch
concurrent laat prijs ook dalen

Slide 24 - Slide

2.2 Prijsstarheid
We zien 2 prijsafzetcurves. 
Prijs verhogen:  ELASTISCHE CURVE
Producenten: geen reactie
Consument: sterke reactie

=> Consumenten schakelen over naar goedkopere product.
Diegene die P liet stijgen verliest klanten aan concurrenten.

Slide 25 - Slide

2.2 Prijsstarheid
We zien 2 prijsafzetcurves. 
Prijs verlagen:  INELASTISCHE CURVE
Producenten: verlagen hun prijs ook
Consument: blijft door merkentrouw bij  zelfde producent

=> Slechts enkele klanten gewonnen door dalen P. Iedereen verliest: allen lagere prijs en quasi evenveel klanten.

Slide 26 - Slide

2.2 Prijsstarheid
GO-curve knik -> MO-curve verticaal stuk.

Zolang MK-curve in verticale stuk snijdt, blijven prijs en verhandelde hoeveelheid gelijk
OPGELET! Dit zegt niets over het resultaat. Dit hangt af van de ligging van de GK-curve.

Slide 27 - Slide

2.2 Prijsstarheid

Slide 28 - Slide

Prijsstarheid is
A
Prijzen die in de tijd nooit aanpassen aan veranderingen in vraag en aanbod
B
Prijzen die niet aangepast kunnen worden aan veranderingen in vraag en aanbod
C
Prijzen die zich langzaam aanpassen aan veranderingen in vraag en aanbod

Slide 29 - Quiz

2.2 Welvaartsverlies pg. 53
Situatie oligopolie tov volkomen concurrentie
-> Hogere P en minder Q.

Gelijkaardig aan situatie monopolie.

Slide 30 - Slide

2.3 Kartel
= Verboden -> Mededingingsbeleid!!
Reden → onderlinge concurrentie beperken

Soorten:
Prijs-, hoeveelheids-, rayon- (=Markt onderling verdelen), researchkartel (=Samen R&D uitvoeren)



Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Wat is een kartel?
A
Afspraken tussen bedrijven om concurrentie te beperken
B
Hetzelfde als een fusie
C
Een bedrijf verhuist naar het buitenland
D
Geen van deze antwoorden is juist

Slide 33 - Quiz

De gevolgen van een kartel voor de consumenten zijn:
A
meer keuze
B
dure producten
C
minder keuze
D
goedkopere producten

Slide 34 - Quiz

Een kartel heeft als doel om ...
A
concurrentie te vergroten
B
te hoge prijzen tegen te gaan
C
concurrentie te verminderen

Slide 35 - Quiz

Een kartel...
A
is bij wet verboden
B
mag soms
C
is per provincie verboden

Slide 36 - Quiz

Kartels zijn voor de producent
A
Gunstig
B
Ongunstig

Slide 37 - Quiz

3. Speltheorie

Producenten en consumenten moeten veel keuzes maken

We gebruiken in de economie vaak economiespellen om een echte situatie in theorie na te bootsen.

= de speltheorie.


Speltheorie: wiskundige manier om keuzeproblemen op te lossen. Gaat over gedrag van mensen. 



Slide 38 - Slide

3. Speltheorie
Techniek om situaties met strategische interacties tussen verschillende beslissingsnemers te analyseren en de uitkomst te voorspellen.

Binnen de speltheorie kijken we welke keuzes een speler heeft en hoe de uitkomst van die keuze beïnvloed wordt door de keuze van andere spelers.

Slide 39 - Slide

3. Speltheorie
Terminologie:
* Best-response: Als de andere deze actie onderneemt, wat is dan de beste reactie voor mij?
* Dominante strategie: Ongeacht wat de andere doet, onderneem ik steeds dezelfde actie.
* Nash-evenwicht: De combinatie waarbij beide spelers een best-response strategie volgen.
* Pareto-efficiëntie: Situatie waarbij de spelers zich enkel kunnen verbeteren door de situatie van de andere te verslechteren.

Slide 40 - Slide

3. Speltheorie
Terminologie:

* Coöperatief spel: De spelers werken samen om hun resultaat te verbeteren. Kartelvorming!

* Niet coöperatief spel:  Alle spelers nemen afzonderlijk van elkaar een beslissing, zonder dat zij informatie hebben over wat de andere spelers doen.

Slide 41 - Slide

Best response - 
Dominante strategie

Slide 42 - Slide

Nash-evenwicht - 
Pareto-optimaal

Slide 43 - Slide

Probeer het zelf!

Slide 44 - Slide

Speltheorie
Bepaal best response, dominante strategieën, Nash-evenwicht en Pareto-optimaal of niet.

Slide 45 - Slide

best-response methode
NIEUW
Nash-evenwicht: geen enkele speler kan een beter resultaat behalen door eenzijdig de keuze te veranderen. 

Slide 46 - Slide

best-response methode

Slide 47 - Slide

Speltheorie

Slide 48 - Slide

Thuis nog verder (be)studeren of oefenen?

Slide 49 - Slide