Bezittelijk voornaamwoord
Ik heb een pen. Het is mijn pen.
Jij hebt een boek. Het is jouw boek.
Hij heeft een bal. Het is zijn bal.
Zij heeft een vriendin. Het is haar vriendin.
Wij hebben een huis. Het is ons huis. (het huis)
Wij hebben een hond. Het is onze hond. (de hond)
Jullie hebben een tuin. Het is jullie tuin.
Zij hebben een kat. Het is hun kat.